Tekst  GvdB 0434 Inhoud  Print (45p)

Désiron, Ferdinand - Van Breendonck naar Weimar,
Leuven, Ferdinand Désiron, 1945, 119 p.

 

Van  Breendonck naar Weimar, door Ferdinand Désiron - 
lid van de ondergrondse beweging, ex-gevangene uit Breendonck en Buchenwald
te bekomen bij de schrijver, 127, Tiensestraat, 127, Leuven

Inhoud

Titelblad
Inhoud
Voorrede
Kennismaking met de Partizanen
Onze Actie
Ontsnapt en hersnapt
Naar de Kalvarie van Breendonk
Aan de arbeid
Doden
Een vluchtpoging
Rechterlijk onderzoek te Breendonk
Hoop
Uit Breendonk weg
Buchenwald
Hardsungen
Voorbereiding tot de vlucht
Uit het kamp ontsnapt
Op gevaarlijke wegen
Tot aan de Rijn
In het zicht van de Haven
Weer t'huis
Terug in de Branding
Na de Bevrijding
Gefusjileerden 

Namen
Kampen
  

Voorrede

We schrijven Mei 1945 ! En uit het verhakkelde en vernederde Duitsland komen de eerste slachtoffers der concentratiekampen in België aan.

Langs dagbladen, radio en cinema worden de lijdenswegen van Breendonk, Buchenwald, Hardsungen en Dora verhaald, maar geen enkel middel is toereikend om de ware diepte van die jaren onmenselijke behandeling en verbeesting te schetsen.

En of de schuld hiervan nu liggen mag aan de basis van een regiem of aan de persoonlijke willekeur van enkele krankzinnige heersers, nooit of nooit in de toekomst mag nog gedoogd worden dat zulk regiem of zulke heerser hun wetten aan een volk komen stellen.

Daarom is het goed dat de waarheid, hoe verschrikkelijk deze ook wezen mag, aan de wereld kenbaar wordt gemaakt en dat gerechtigheid geschiede, waar deze geschieden moet!

Ik draag dit boekje op aan al de jongens welke ginder zijn gebleven en aan hen welke het geluk hadden die hel te ontkomen, maar die het beeld van al het lijden en det mizerie in zich zullen blijven bewaren, hun leven door.

En wanneer ik schrijf van hen die bleven, dan denk ik in het bijzonder aan mijn persoonlijke vrienden uit Breendonk : Igo, Vertongen, Emile Van Tilt en Staf Van Aerschot, welke hun vaderlandse ideeën met het leven hebben gestaafd.

En ik wil deze voorrede niet sluiten zonder een woordje van dank aan den heer Brants Felix uit Leuven, eveneens ex-Breendonker, die zich aan het werk der politieke gevangenen heeft toegewijd en aan mijn vriend Biront Alfons, door wiens hulp het mij mogelijk is geworden, dit boekje te laten verschijnen.

  

Kennismaking met de Partisanen

Een grijze lucht drukt beklemmend over de stad. Langs de beschoten gevels der huizenrijen schuiven vreugdeloze mensen : kommervolle gelaten van bedrukte burgers, overmoedige harde gezichten van Duitsers, gevloekte gestalten van zwarte verraders... 't kruist alles doorheen in grauwe wrevel langs de straten.

'k Rijd naar mijn ouders te Linden. Militaire kolommen doemen op en verdwijnen luidruchtig langs de baan. Met haat staar ik ze na in het hopelooze landschap zonder verten, zonder vrije lucht... ! Heel ons lief landje ligt bevangen onder de verschrikking van bijna drie jaren bezetting. Dat is mijn obsessie !

Ik rijd om wat brood bij mijn ouders en trap snel door met verbeten woede en wrok.

— « Allo makker! » Vanuit een landelijk cafétje wenkt me een vriend. Wij praten wat bij een pint licht oorlogsbier. Na een tijd wordt mijn maat ongeduldig en kijkt gestadig naar het uur.
« 't Is tijd voor mij » beslist hij rechtstaande en schudt me de hand.
« Tijd ? Wat mag er zo wel haasten ? » vors ik.

Hij zwijgt aarzelend. Voorzichtig kijkt hij om zich heen, dan de scherpe blik diep in mijn ogen alsof hij een laatste maal mijn vertrouwen wil peilen, betrekt hij mij in zijn geheim : « U wil ik het wel zeggen, gij waart immer een betrouwbare vriend. Ik strijd in de rangen der partisanen en vergader met hen om 20 u. Waarom zoudt ge ook niet aansluiten, zulke mannen als gij kunnen we best gebruiken ! »

'k Stond aan den grond genageld van vreugdevolle verrassing.

— Gij, partisaan ? Daar droom ik reeds zolang van ! Nu krijg ik de kans. Ik kan vandaag nog aan de bataljoncommandant voorgesteld worden. Met haast leg ik mijn boodschap af en dan maar naar 't rendez-vous. Met de avond groeide de grauwheid van de winterlucht nog aan, als wilde ze ditmaal mee mijn geheim omhullen.

In 'n dorpscafétje kruipt geruchtloos de uurwijzer naar half negen. De bazin wil een banaal praatje aanslaan. Op mijn vraag naar X, huichelt ze heel verwonderd dat die reeds lang vertrokken is. Wanneer ik mij hervat en naar « Pieter » vraag, voortaan zijn strijdnaam, wordt ik met een heimelijk lachje naar achter verwezen.

Van uit een achtergebouwtje kijken vijf paar ogen mij verwelkomend aan : vier kennissen en de vreemde commandant: twee zijn bezig hun revolver na te zien, de commandant beschouwt een handgranaat, de twee anderen houden zich in een hoek bezig met vitriool.

Een korte voorstelling en ik wordt opgenomen in het leger der Vaderlandse samenzweerders. Toekomende week moet ik in een nabijgelegen bos mee vergaderen.

Maar wat betekent hier die wapeninspectie ? Ik wordt ingewijd : Vanavond moet een actie ondernomen tegen een fabriek waar goederen voor de Duitsers opgestapeld liggen.

Vanavond nog ! Mij bekruipt onweerstaanbaar de lust om mee te mogen. 'k Moet veel vertrouwen inboezemen want die gunst wordt me direct toegestaan. Daar ik niet gewapend ben kan ik slechts mee als toeschouwer. Dat zal me met die tochten wat vertrouwen.

Na de nodige instructies verlaten twee mannen de vergadering. Ik sluit me aan bij Jos en Pieter. Bij de stad, op een paar honderd meter van de fabriek, wachten de anderen ons op. Over de wijk hangt een dichte nacht. De bataljoncommandant gaat op verkenning uit. Wij blijven wachten. Een lokomotief huilt akelig... Daar staat Jos reeds terug. Hij is een man van de daad, zwijgzaam, vlug en vastberaden. Enige korte bevelen : Gij met uw tweeën vóór de ingang, revolver in de hand. Roger en Jos de muur over ! 't Gaat vlug, alles wordt dan weer doodstil. Binnen de poort ritselt een gerucht... een gedempte stap nadert... de poort wordt zachtjes opengemaakt. 't Is de portier die wat gehoord heeft en komt kijken. Een lichtstraal in zijn verbouwereerd aangezicht, een kort bevel en ons heertje staat braafjes en bevend met het aangezicht naar de muur, angstig het einde van dat drollig avontuur af te wachten.

Plots een helle opflakkering en het alarmgeroep van verschrikte nachtwakers : Brand !

Als katten zo vlug komen Jos en Roger terug de muur overgeklauterd.

Vooruit mannen ! 't Is gedaan ! — Kalm, niet overhaastig slaan de mannen de richting in naar Linden. Achter mij likken vlammige tongen hoog in den nacht. Ik spring de fiets op en rijd huiswaarts door de donker, door die goede dichte donker die met ons mee conspireert. Ik ben vol van wat ik heb meegeleefd.

Enige dagen later wandel ik naar het bosje te Linden. 'n Vlucht kraaien cirkelt geruisloos boven de boomkruinen. Verder roert niets in die indrukwekkende stilte. Langs een sterk geurend paadje bereik ik de aangewezen plaats. De B.C. Jos en een makker staan reeds op post. Door 't kreupelhout heen dagen Pieter en Warke op en 'n minuut daarop twee andere makkers. De vergadering wordt geopend, mijn voorlopig lidmaatschap aangenomen. Om definitief opgenomen te worden moet ik een proef aflegen. Met dit examentje zal Roger zich gelasten.

Verder aan de dagorde : Inzet van een actie tegen het koolzaad en onverbiddelijke liquidatie der zwarte verraders. Zij die lust mochten gevoelen tot die zwarte bende toe te treden moeten er door verschrikking van afgehouden worden. Of we in dit opzet slaagden, in het Leuvense, hoef ik niet te vertellen !

Nog wat technische uitleg over het omgaan met springstoffen en we verlaten elkaar, verhard, gestaald, zwijgzame schimmen langs glibberige paadjes die ons zoveel herinneren uit onze kinderjaren.

  

Onze Actie

Volgende week, midden in een plassenden regennacht, stappen in een druipend bosje, vijf zwijgzame fietsers, mestnat van hun 20 km. lange rit door een hondenweer. De regen tokkelt zijn treurig lied. Een toren slaat middernacht. Het uur dat den slaap der bozen gestoord wordt, vertelde men in onze jeugd !

Drie partisanen blijven hier staan. Met Roger trek ik op verkenning uit.

Alles ligt in diepe winterslaap, wanneer ik plots achter ons een auto zie naderen met gedempte lichten. Ook Roger heeft hem gezien. Wapen klaar en schieten als hij stopt, beveelt hij koel.

Geruisloos rijdt de kleine wagen tot op onze hoogte en trekt dan de remmen aan... Mijn hart slaat hoorbaar maar kloek. Ogenblikken van hevige spanning ! Mijn revolver steekt reeds half uit mijn zak... dan geeft de geleider terug gas en de auto verdwijnt langs de zwartglimmende baan. Op het belichte nummerbord lezen we de letters : Pol. Verduiveld, ik begrijp heden nog niet welke gelukkige ingeving die feldgendarmen kregen ons niet te vragen wat we zo laat op straat deden.

De verkenning gaat voort. Rond het huis van een zwarte verrader roert geen muis. Alleen de regen weent een lied van rouw.

Goed zo. Nu gauw de achtergebleven makkers gehaald. Ik ben de hoofdacteur deze nacht, want ik moet mijn proefstuk afleggen. Drie man worden als schildwachten uitgezet. Roger en ik moeten binnengeraken en de kerel vonnissen. Bliksemsnel slagen we de slag : een venster wordt ingedrukt, vlug naar binnen, in een wip de trappen op, twee schoten knallen uit onze wapens en we aanvaarden de aftocht.

Om vijf uur van de morgen bereik ik terug mijn woning, doornat, vol modder en doodmoe... maar er loopt weer een verrader minder.

Om 8 uur bevind ik mij op mijn werk, zo onschuldig als wie ook. 's Anderdaags is het nieuws reeds tot Leuven doorgedrongen. Om me niet te verklappen wacht ik voorzichtig na iedere gepleegde actie, tot me de feiten verhaald worden door een derde en vertel dan de geschiedenis verder, in haar nieuwe, meestal totaal verdraaide versie.

Zo hoorde ik kerhaalde malen door leugenaars en snoevers op heel verkeerde wijze aanslagen vertellen die niet zij maar wij hadden gepleegd. Ik zweeg natuurlijk heel wijselijk dat ik er beter van op de hoogte was. Soms dreef ik door gepaste argeloze vragen deze bluffers zodanig in het nauw dat ze in hun leugens verwarden en een armzalige uitvlucht zochten.

Op de vergadering van volgende week wordt onze actie geprezen. Aangesteld als detachementscommandant van het 1ste Dt. zou ik voortaan een groep van vier man aanvoeren.

We rusten weinig. Geen week gaat voorbij of we voeren 2 à 3 acties uit. We halen zegels af op de gemeentehuizen, we verplichten sommige banken ons nu en dan wat te betalen, we kogelen onerbarmelijk zwarten neer. Ons korps velt eens acht verraders' in één week.

Een zekeren koude winterdag ga ik met mijn Dt. op zegeljacht uit tot over het Albertkanaal. Voor de zegels komen we te laat, maar we hebben die nacht toch een paar zwarte de duivel aangedaan.

*  *  *

De vermakelijkste actie die ik meemaakte was het vernietigen van twee stukken koolzaad te Linden. Mijn makker Pieter die de verbindingen tusschen de groepen onderhield had me die opdracht gegeven. De stad baadde heel de dag in een gulden zonnebad en een warme tinteling speelt nog langs de gevels als ik om 6 u. van de namiddag Leuven uitrijd naar het Kattebos toe. In mijn zak weegt een revolver en een sterke zaklamp. Een stel kleren, maskers en 3 revolvers om aan mijn makkers uit te delen steken in mijn fietstas.

In t veld ruist alom het koren en groent mals het gedoemde koolzaad. Bij de herberg van Mille klinkt het doffe gerammel van kegels en houten ballen, en luide stemmen lachen. Hier zullen we enkele uren verspelen. Pieter is reeds duchtig aan 't kegelen.

Ha Pier ! Alles goed ?

Ja, alles in orde! antwoordt hij. Ik versta dat de mannen op hun post zullen zijn. Ik kegel mee dat het stuift.

Als het begint te schemeren verlaten enige boerenzonen het spel. Ze moeten het koolzaad gaan bewaken. Pieter pinkt op mij als wilt hij zeggen : we zullen ze straks wel wat verstrooiing brengen op hun eentonige wacht.

Een tijd nadien verlaat ook Pieter de kegelbaan, zogezegd naar huis toe.

Als het reeds goed duistert, neem ik ook afscheid en bereik langs een omweg de vijf beuken.

Een signaal en vier gestalten komen uit het bos. Een nieuweling die vandaag zijn proefstuk moet afleggen ontbreekt nog. Wachten, 't is immers nog te vroeg om te vertrekken. Ik deel maskers en pistolen uit. De intussen aangekomen kandidaat krijgt een trommelrevolver van zodanig kaliber dat menig cowboy er afgunstig zou naar opkijken. Daar we de graad van zijn zenuwachtigheid niet kennen, hebben we zijn wapen niet geladen.

Onze fietsen worden in 't koren weggestoken, de maskers voorgedaan,  revolvers en lampen klaargehouden. Uitgerust als een groep vastenavondhelden zakken we af naar de koolzaadvelden.

Maar we hebben schoon zoeken en luisteren, geen wakers te vinden. Ik plaats drie man in 't koolzaad en trek met Pieter op verkenning uit. Daar langs de stofferigen veldweg naderen ze. We beluisteren ze van achter een haag : « Ginds, spreekt een hunner, die eerste gele bloemen daar, dat is het koolzaad, dat we voor de Fritzen moeten bewaken. Ik wilde dat de Witte Brigade hier ook eens langs kwam, dan waren we van dat bewakingskarweitje af ».

— Dat zijn wens zoo snel vervuld zou worden, dacht hij voorzeker niet. Aan mijn voet heft een krekel een spottend gesjirp aan.

Wanneer de bewakers bijna recht tegenover ons staan begint het spel.

Een verblindende zaklamp flitst aan en met vervalste stem spreek ik in geradbraakt Duits :

« Was machen sie hier ? » Onze helden staan stokstijf van schrik. Eén die wat vlugger bekomt dan de anderen tast in zijn zak en reikt een papiertje : « We zijn koolzaadwachters, Mijnheer, wie mussen das kolzad bewaken fur die weise brigade. Hier habe ich ein schein von die burgemeister ».

We proesten het bijna uit.

« Ach so, ich sal Ihne helpe! Handen auf I » Ze houden ons voor feldgendarmen en gehoorzamen vlug. Snel worden ze afgetast door mijn makker.

« U sullen das kolsad kaput machen. Vorwars ! Armen neer ! »

Ze verstaan er niets meer van. Een hunner dacht zelfs broek en hemd uit te spelen. Toen we hem het werk voordoen en enkele struiken uittrekken, begrijpt plots een zekere Maurits :

« Ha, nu versta ik het mannen ! Dat is de witte brigade, we moeten het koolzaad uittrekken ». Ze waren aanstonds bereid uit te roeien. De jongens meenden het goed en werken met moed aan hun vernielingswerk. Op een nabijgelegen hoeve hadden we zeisen en pikken opgeeist, ook deze boer was bereidwillig.

« Mijnheer, daar is nog een tweede stuk » wezen ze ons zelf aan.

Na ontwapening werkten op het tweede stuk de 10 andere mannen van de boerenwacht met even veel iever mee. En de maan lachte heimelijk boven dit nachtelijke veldfeest.

« Zijt ge een echte Duitser, Mijnheer ? » vroeg Maurits die zijn nieuwsgierigheid niet kon bedwingen.

« Neen, ik ben van Eupen, ik haat Hitler en zijn bende ».

« Maar zijn er dan misschien mannen van de streek bij, om dat hier zo te vinden ? Ja,  Partisanen zijn er overal ».

En dan om ons zijn sympathie te betuigen : — « Hebt ge geen honger of dorst, Mijnheer ? Hier woon ik... » En de brave man bood ons een eetmaal aan, een broederdeel van het karig brood dat hij zo zuur moest winnen.

Graag breng ik hier nog hulde aan de goedhartigheid en rechtschapenheid van deze heerlijke volksmens.

Zestien man hadden we aan 't werk gezet dienacht. Zaterdagwakers, dus werklieden. Heerlijke lui, die liever vernielden dan bewaakten.

Om 2 u. viel het laatste zaad onder de zeis.

Ik beraadslaagde met Pieter en we kwamen overeen de mannen te vergasten met een pint bier.

Per twee, als gedrilde soldaten, marcheeren onze mannen begeleid door gewapende en gemaskerde partisanen naar 't Café van Emile Vanlangendonck (Mille van Jobe).  .

De zaadwachters worden in een aanpalend dennebos geleid en ik beveel Maurits de bewoners te wek­en, opdat deze zijn stem zouden herkennen. Hij bonste op de deur. De waardin opent het venster : Wie is dat ?

 « Ik, Maurits. Sta aanstonds op, Martha. De Partisanen hebben de nachtwakers verplicht het koolzaad af te maaien. Nu vragen ze bier. Verschrik U niet zulle, ze hebben wel een revolver, maar 't zijn goede mannen ».

De slaperige baas, intusschen ook gewekt, pinkoogt verdwaald in het licht van mijn zaklamp.

Twee bakken bier en een paar aftrekkers worden tegen factuurprijs afgeleverd.

De papieren van de wachters afgenomen, moest Mille 's anderendaags maar naar de burgemeester dragen.

Terwijl de mannen, geammuseerd, hun biertje drinken tusschen de zinderende dennen, poetsen wij onopgemerkt de plaats en keren voldaan over ons werk huiswaarts.

De volgenden dag, op de kegelbaan bij Mille moet ik t' gebeurde in 't lang en in 't breed aanhoren :

De Partisanen waren geweest met mitrailletten, ja, iemand had zelfs een machinegeweer gezien... We hadden met ons vijven slechts drie trommelrevolvers en twee brownings kaliber 765 mm .

Alles werd verdraaid, belogen en aangedikt. Mille wou wedden voor al wat hij bezat dat er een echte Duitser bij was.

Dat Pieter en ik moeite hadden ons ernstig te houden, hoef ik wel niet te zeggen.

*  *  *

Steeds groeit ons partisanenleger aan, nieuwe leden worden aangeworven, wapens gekocht, afgenomen of spontaan aangeboden door sympathisanten. Wellicht ontstaan alom nieuwe groepen. Zo einde 1943 tellen we een groep in Linden, een in Lubbeek, in Kessel-Lo, in Kortrijk-Dutsel en Nieuw-Rhode. Deze maken deel uit van ons bataljon onder leiding van Frans Vleugels (strijdnaam : Firmin).

Alles gaat uitstekend; de zwarten verbleken bij het hooren van het woord Partisaan.

Velen laten hun kostbaar lijf door de zwarte gendarmen bewaken.

Dit helpt echter weinig; één na één vallen ze toch onder onze kogels, of hun huis en mooie inboedel, gekocht met verradersgeld, wordt de prooi der vlammen.

De Duitsers zelf worden bang om de trein nog te nemen. Elk uur vliegt ergens een spoor in de lucht.

Bij de vernieling van het seinhuis te Holsbeek ontmoeten we, de enige maal, twee zwarte spoorwachters. Deze echter draaien wijselijk hun rug naar de Partisanen toe. Tijdens al onze andere acties zijn ze tijdig op de vlucht geslaan.

Ons ledenaantal stijgt met de dag, we krijgen meer ondervinding, onze organisatie wordt steeds beter. Maar de tegenactie groeit ook. Het wordt gevaarlijker gew­pend op straat te komen. Gestapos lopen rond in bu-gerpak, verraders spitsen reeds meer hun oren, zwarte gendarmen patroeljeren onophoudelijk.

Tot hiertoe nochtans leven nog maar zeer weinig van onze leden vogelvrij; ze zijn nog niet gekend. Die miserie nadert echter.

Op 30 November  1943  begint voor mij de ellende, 's Zondags had ik een toneelavond  bijgewoond te Linden, 's Maandags om kwart voor acht wordt gescheld. Ik open : een vreemd meisje staart mij aan :

- Zijt U Mijnheer...
- Jawel ?
- Ik ben de zuster van Rik. Mijn broer werd gisteren gesnapt door de Gestapo, half dood geslaan en onmensehjk mishandeld.
- Deze morgen echter is hij weer vrij gelaten. Hij weet dat de Gestapo U op het spoor is.
- Als uw leven U lief is, vlucht dan...

Ze spreekt zeer opgewonden.

- Kalmeer U, Juffrouwtje en vertel me eens alles.
- Meer kan ik U niet zeggen. Haast U, ze kunnen alle ogenblikken komen.

Dan vertrekt schichtig de boodschapster.

Ik verwacht me reeds lang aan deze tegenvaller en besluit dan ook wonderkalm : Ik moet nu onderduiken. Gauw wat uitleg aan mijn vrouw en ik ben weg.

Wanneer ze een minuut later de rolluiken optrekt, treden twee heren binnen.

« Is het hier wel bij Mijnheer... »

« Jawel, Mijnheer, maar mijn man is reeds naar zijn werk. Ze duidt hen zeer vriendelijk aan waar en vertelt, schijnbaar naïef, dat ik om 12 u. terug kom.»

Intussen rijd ik mijn werkbaas verwittigen, spoed mij vandaar naar mijn ouders en zoek een onderkomen bij de Weduwe Vanschoenland. Moedige vrouw die voor haar goedheid moest boeten. Haar twee dochters en hun echtgenoten werden naar Duitsland gesleept.

's Middags komen dezelfde heeren naar mij informeren. Mijn vrouw huichelt een grote verwondering over mijn uitblijven.

Om 18 u. een nieuw bezoek. Toen begrijpen die heren voorzeker dat ze achter het net vissen. Mijn vrouw wordt van dan af van stap tot stap bespied en opgevolgd, mijn huis dag en nacht bewaakt. Zo verklaart immers ook de verrader Jules Favier van Sint-Bernardus-Lubbeek aan de familie Vanschoenland.

Om mijn spoor bijster te maken, schreef ik een afscheidsbrief aan mijn vrouw waarin ik laat doorschemeren dat ik haar verlaat om een liefdesavontuur en nooit meer terugkom. Mijn vrouw heeft trouwens mijn afwezigheid aangegeven op 't politiebureel en heeft den afscheidsbrief getoond. Daardoor verzwakt de aandacht van de Gestapo en kan ik nu en dan eens aan huis komen.

Andere listen worden dan beproefd. Een zogezegde vriend van mij, ook partisaan, komt naar mij vragen. Daar hij echter het wachtwoord niet geeft, snapt mijn vrouw dadelijk het bedrog en scheept hem af, bewerende met mij en mijn fameuze vrienden geen uitstaans te willen hebben.

Nu had ik meer vrije tijd en wijd me onverpoosd aan de sabotagedaden.

  

Ontsnapt en hersnapt

In de donkere nacht van 22 December sluipen schimmen rond het diep rustend dorpje Linden.

Een vijandelijke macht van 200 Gestapo's, Feldgendarmen en Russen in Duitsen dienst, hebben in alle stilte het dorp omsloten.

Verraders van Linden en het omliggende leiden de razia.

Wanneer de morgen begint te hazegrauwen klinkt het signaal voor de Lindense metten.

Bij alle verdachten vallen brutaal de soldaten binnen. De mensen worden geslaan en in hun hemd of nachtgewaad rondgejaagd.

Twintig inwoners worden meegesleept en te Breendonk opgesloten.

« Nu zitten alle Partisanen van Linden opgesloten » troost zich later de laffe verrader van Pellenberg, Theophiel Van den Bemd. Hij ondervindt echter algauw dat hij zich lelijk vergist heeft.

Als werkende P.A. leden verloren we alleen : Igo, Edward, een inlichtingsagent, alsook Firmin, Bataljoncommandant, Schrevers Joseph en Philipaerts.

We stellen een nieuwe bataljon commandant aan en onze werking gaat voort.

Ons hoofdkwartier verleggen we naar Kortrijk-Dutsel waar we met open armen ontvangen worden bij de Weduwe Wiets.

In naam der P.A. moet ik hier de bewoners van Kortrijk-Dutsel bedanken voor hun hulpvaardigheid en hun prachtige houding.

Nooit kan een auto de Dries naderen of we zijn, soms door drie, vier personen tegelijk, verwittigd.

Voor eten en slapen wordt nooit enige vergoeding aanvaard.

't Verraad van Firmin Vleugels zou ons echter nog veel onheil brengen.

De klopjacht gaat voort.

Op 4 Februari rijd ik naar Leuven toe om een actie voor te bereiden. « Geen patroeljes op de baan » ? vraag ik aan een voorbijganger.

« Neen, niets gezien! » roept hij.

Zonder achterdocht trap ik voort. Plotseling schieten van achter een haag uit zes zwarte gendarmen op me af : Halt!

Om te vluchten is het te laat. Ik betrouw op mijn valsen pas. Bij het lezen van de naam vertrekt het aangezicht van den brigadier tot een grijns. Hij grijpt zijn revolver en :  « Handen op kerel! »

'k Word afgetast; tot in mijn hoed toe zocht men naar wapens.

« Kom van uw fiets en volg me.  Bij  de minste poging om vluchten schiet ik U neer ».

« Waarom zou ik wegvluchten ? Hier is denkelijk een vergissing in het spel. Om welke reden zoudt ge me
anders moeten aanhouden ? »

Ik huichel een onschuldige onverschilligheid, maar inwendig denk ik onrustig dat nu rare dingen moeten gebeuren of dat zoniet voor mij het spelletje uit is.

« Dit is nu de kerel waar we al 14 dagen naar zoeken », verklaart de brigadier tot de andere gendarmen.

Met mijn fiets in de hand, begeleid door twee pandoeren, moet ik bij Jef Pardon binnen. Een rijkswachter plaatst zich recht voor mij met deloop van zijn revolver op mijn borst gericht. Mijn handen in de zakken, schijnbaar kalm maar met koortsige hersens kijk ik hem als een dommen lummel aan.

Wanneer ik de andere met mijn pas in de handen naar de gang zie stappen om te telefoneeren, begrijp ik dat de tijd kostelijk wordt.

Mijn kennis in boksen en turnen gaat mij van pas komen.

Ik verlies mijn bewaker niet uit het oog. Hem neerslaan vóór hij den trekker van zijn revolver kan overhalen, is mijn enige kans op redding. De kans op ontsnapping is klein, maar ik sterf liever dan mij zonder verzet aan die beulen over te geven.

Met tot het uiterste gespannen zenuwen wacht ik het gepaste ogenblik af. Dit doet zich algauw voor. Bij het openen van het telefoonapparaat door zijn makker, bemerk ik bij mijn bewaker een kleine reactie. Zijn aandacht wijkt af, zijn revolver wordt zachter omkneld. Plotseling en onverwacht spring ik omhoog, ruk mijn handen uit mijn zakken, mijn linker vuist komt op zijn gewapende hand terecht, mijn rechter slaat in de maagstreek om zijn spijsvertering te helpen. Met ogen onnatuurlijk groot van verbazing en zonder een kreet te slaken, valt hij op zijn rug.

In één sprong ben ik bij de deur. Het slot hapert. Ik verlies kostbare seconden. Mijn tegenstander die niet knock-out ligt zend mij in zittende houding een reeks kogels na, die rakelings langs mij heen vliegen : een eerste in de muur, een tweede door de deur, een derde kwetste mij aan de pols, een vierde drong in. mijn linker schouder. Een vliemende pijn brandt door mijn vlees. Meteen krijg in de deur open en vlieg in één vaart op handen en voeten buiten. Een geluk dat ik in mijn wildheid struikel want een vijfde kogel fluit langs mijn hoofd door. Ik vlieg de koer door, een 2 m. hooge schutting over, de hof in, een haag door en langs een veldweg de Zavelstraat op.

De gendarm zet vloekend de achtervolging in. Trekt zijn revolver af op Zander, een gebuur van Pardon, loopt dan naar achter, kan de schutting niet over, moet langs de hof poort en geraakt zo op de veldweg. Om ze te verschalken heb ik eerst in de weke grond enkele passen links gezet en sla dan rechts de steenweg op. Mijn list gelukt; ze volgen het dwaalspoor, lichtend met hun sterke zaklampen. Ik ben ontsnapt. De blauwe avond verbergt me genadig. Ik spoed mij naar een paar kennissen die mijn wonden ontsmetten en omwinden. Dan stap ik te voet naar Kortrijk-Dutsel bij mijn makkers Nest en André. Deze zweren mij te wreken. En of ze woord hielden! Ik geniet er de beste verzorging. 's Anderdaags verpleegt dokter Tallons me, maar kan echter de kogel niet verwijderen.

Nu nog draag ik als herrinnering dat stukje lood in mijn schouderplaat.

Na een tiental dagen toog ik naar Rotselaer waar ik bij Désiré Verheyden over een kamer mag beschikken. Mijn wapens en munitie zijn bij Van Schoenland aangeslagen; ik moet mij voorlopig met een gebrekkige 635 tevreden stellen.

Toen kwam 20 Februari. Fatale datum, begin van mijn grootste ellende ! Men zit me op het spoor, ik word getrakt als een wild beest.

Mijn vrouw is mij komen bezoeken en zou een Zondag bij mij doorbrengen. Om 6 u. 's morgens bonst men wild op de deur en rauwe  kreten schreeuwen :  Ofen machen, Politzei !

Ik begrijp dat alles verloren is. 'k Zit in een val. 't Huis is omsingeld. Mij verdedigen met een 635 is hopeloos.

'k Omhels mijn vrouw een laatste maal en zeg : « Niet wenen hoor; let op wat ge zegt, hou U kalm en toon dat ge een partisanenvrouw zijt. Ge zult, mij nooit meer weerzien want de kogel wacht me. Doe geen stappen ten mijne voordele, dat is toch onbegonnen werk ».

En  waarlijk ze houdt zich sterk en gedraagt zich 'prachtig.

« Wees niet bang, man, ik weet wat ik te zeggen en te doen heb ». Ze verstopt vlug mijn speelgoedrevolver onder de kolenemmer en loopt dan de deur openmaken. De heren verraders treden binnen : Faignaert, Janssens en nog een paar andere kornuiten:.. Het was een kabaal van alle duivels : Heraus! Handen auf. In 't Duits alsjeblief, Vlaams was voorzeker te vernederend.

Ik word geboeid, handen op de rug, geslaan en gestampt.

« Wie zijt gij, stuk terrorist ? Waar is uw wapen ? »

« Ik heb er geen », lieg ik, maar ze vinde algauw 14 kogels die ik vergat weg te steken. Dan draaien ze alles 't onderste boven, kijken zelfs in de kolenemmer, maar geen revolver te vinden. De emmer echter hebben ze er naast gezet. Ik zet er mijn bloten voet op. Een slag van een mitraljet doet mij een pas opzij wijken en het wapen vliegt in 't midden van de kamer. Als razende wolven storten ze dan op mij.

Na een paar minuten is mijn aangezicht door Janssens zo bewerkt dat ik weldra onkennelijk ben.

Eindelijk mag mijn vrouw mij aankleden: broek, pull-over, vest en overjas, alles over mijn geboeide handen heen.

Désiré Verheyden en ik worden in een auto gestopt, mijn vrouw in een andere en vooruit naar de commandatuur van Leuven.

Onderweg word ik door mijn beulen bespot.

« Zeg, stuk aapmens, ze noemen U Tarzan, hé. We zullen U die apenstreken wel afleren. Hoeveel onzer kameraden hebt ge reeds neergeschoten ? De volgende was Favier, hé. We weten alles, kerel, en wat we niet weten, zult ge ons op uw gemak mogen vertellen ». Onwillekeurig ontsnapt mij het woord : « Nooit ». « O, dat is rap gezegd, wacht maar.

Vleugels dacht ook zo, nu vertelt hij al wat we willen.

Roger, uw compagniechef heeft ons ook al meer gezegd dan hij wilde. Te Breendonk hebben we middeltjes waar niemand tegen bestand is; daarmee halen we er alles uit. Ook die kogel in uw schouder zullen we er wel uithalen ».

In mijn verbeelding zie ik een Indianengeschiedenis, waarin een opperhoofd aan de martelpaal door zijn vijanden gepijnigd wordt maar die deze nog bespot.

Ironisch antwoord ik : « Waarom die kogel er uithalen ? Dat is moeite verloren. Ge zult er nog wel enige bij in schieten ».

« Doe u niet zo groot voor, kerel. In weinigen tijd zult ge voor ons kruipen en onze handen likken als we moegeslagen zijn ».

« Ik weet wat me te wachten staat, en dat ge me onmenselijk zult martelen.  Maar iemand of wat verklikken, dat nooit! »

« Janssens, ik denk dat we aan die kerel nog plezier gaan beleven. Ge zult het wel wat uithouden, maar krijgen doen we U toch ».

Leuven ligt in een koude winterrust gehuld.

We stappen uit voor de commandatuur.

Ik word binnengeduwd. Janssens toont me onze munitie en wapens. Onze depot, ergens in een klooster is dus ook al ontdekt. Vervloekte lafaards, eerst een groote muil opzetten, daarna alles verklikken ! Men brengt mij voor een officier. Deze grijpt een lineaal en bewerkt mij zodanig dat ik mijn neusbeen gebroken acht. Bloed vloeit in twee straaltjes over mijn lippen op mijn overjas. Daarom buldert hij dat ik den grond bevuil met mijn vervloekt terroristenbloed.

Na enkele formaliteiten sleepen ze mij naar hun lokaal in de Leopoldstraat. Ze ontdoen me van mijn overjas, vest en pull-over.

« Broek ook uit ?  »

« Neen, roept Faignaert,  als hij zich dan bedoet moeten wij het nog opkuisen ».

« Wat, schreeuwt Janssens, dan zal hij het tot de laatste druppel oplikken ! »

Dat zijn de menschen die ons de nieuwe orde komen opdringen!

« En nu, voor de laatste maal, wilt ge ons alles bekennen ? »

« Begin dan maar »,  gebied Faignaert.

Mijn handen worden nu onder mijn knieën geboeid. Ik word tegen de grond gestampt en dan beginnen twee mannen mijn billen te bewerken. Ik klem de tanden opeen om geen klacht te uiten. Dat is echter boven mijn krachten. Door steeds op dezelfde plaats te slaan, barst het vel op verscheidene plaatsen open en verwekt een ondraaglijke pijn. Eerst komt een onderdrukt gekreun over mijn lippen.

« Harder! 't Is verduiveld 'n taaie » roept Faignaert.

Nu grijpen de beulen een vierkante lat, zoiets als een stokmeter. Ik brul het uit van de pijn. Een vuil stuk vod wordt in mijn mond gestopt en ik word voortgeranseld. Nu en dan houden ze op om me te vragen of ik wil spreken.

Zo word ik geranseld van 8 tot 11u. Dan krijgen die heren honger en snauwen me toe dat ze hun werk 's anderdaags zullen voortzetten. Ze slepen me in een auto en voeren me naar 't gevang van de Maria-Theresiastraat. Op het bureel klamp ik mij vast aan een stoel om niet te vallen. In mijn cel kruip ik onder de buizen der centrale verwarming. De warmte doet goed aan mijn doorkerfde billen en zitten of staan kan ik niet.

's Avonds kruip ik gans gekleed in bed. Rillend van koorts en ellende lig ik uren lang over mijn lot na te denken.

Dinsdags word ik ondervraagd door Max, een Antwerpenaar, in tegenwoordigheid van twee Duitsers. Nu wordt me het vuur aan de schenen gelegd. Men legt mij een lijst voor van ons ganse bataljon. Gelukkig stonden hier alleen onze strijdnamen vermeld. Maar een bijliggende coppij vertoont reeds talrijke volledige adressen.

Het verraad van Vleugels heeft reeds zijn gevolgen. Een eerste confrontatie met P.A. Joostens, bijgenaamd Jef Harmonika, aangehouden drie dagen te voren (op 18-2-44) in de H.W.P. Leuven (Central) waar zijn ploegmakker en Det.-Comdt. Lemmens Louis, op het nippertje ontsnapt, gaat door. Niettegenstaande alle bewijzen : onze volledige adressen, gezamenlijk gevoerde acties, enz..., houden wij vol elkaar niet te kennen. Ik beweer dat de groepen elkaar niet kennen en bij een actie iedereen steeds gemaskerd is.

Na wat dreigementen worden we terug naar onze cel gestuurd.

In de kouden winternacht rond twee uur word ik eruit gehaald en naar de commandatuur geleid : tweede confrontatie.

Hier staat P.A. Max, t.t.z. Emile Mathijs, politieagent van Kessel-Lo die vóór enkele dagen een transport van wapens heeft begeleid. Dit ook dus is reeds verraden!

Mathijs, zie ik, is reeds gegeseld geworden. Verscheidene bloedige strepen doorstriemen zijn gezwollen gelaat. Moedige makker die zich ook liever liet verminken dan maar één enkele vriend te verraden. Kalm, met bliksemende ogen, kijkt hij de beulen in 't gelaat.

Ik word terug naar 't gevang gebracht en tot 's morgens met rust gelaten.

  

Naar de Kalvarie van Breendonk

Op 24 Februari word ik onverwacht uit mijn cel gehaald en naar de hal geleid.

Hier staan reeds enkele makkers opgesteld, de een al erger toegetakeld dan de andere.

Ik herken er veel : Jozef Demarsin van Kortrijk-Dutsel, Sylvain Smets, Joostens Jozef, Jaak Damand en Désiré van de Pleinstraat te Heverlee. Mijn makker Verheyden staat naast mij. Marcel Vandera, de moedige, jeugdige P.A. zie ik ook in de groep.

Een laatste naamafroeping en de poort gaat open. Helaas niet op de vrije wereld... maar op de baan naar het wreedste folterkamp.

In dit ellendig gevang werden we nog menselijk behandeld, nu gaan we weldra kennis maken met de geduchte beulen van Breendonk.

Vier piepjonge Vlaamsche SS.  mannen schreeuwen ons woest aan in 't Duits en slaan ons letterlijk in een camion waar we op de knieën tegen elkaar moeten aankruipen. Om ons nog dichter opeen te drummen krijgt de achterste rij, gedurende den rit, onophoudelijk slagen en stampen. Een soldaat grijpt me bij mijn oor, trekt me achterover en schopt me daarna terug recht.

Eindelijk bereiken we het sinistere kamp van Breendonk.

'n Complex van grijze gevangenisgebouwen, betonnen koepels, palen en prikkeldraadomheiningen in een naakt, zanderig landschap !

Brutaal worden we afgeladen en in een gang met het aangezicht naar den muur geplaatst.

Na een paar uren worden we terug opgeladen. Papieren niet in orde. Terugrit naar Leuven op onze brandende knieën gezeten.

Met een zucht van verlichting betreed ik mijn cel, grijp dorstig naar mijn beker die nog half gevuld staat met botermelk. Op de bodem merk ik ineens fijne drukletters op. Ik lees : cel 29. De Morissens van Pellenberg, aangehouden door de nazibeulen op... naar onbekende bestemming vertrokken op... (de data ben ik vergeten).

's Anderendaags nieuwe rit naar Breendonk toe, in pijnlijken kniezit.

De luitenant, door ons Buldog geheten, wacht ons op. Weer gaat het op één rij in de gang.

Naast mij spreekt onze vroegere korpscommandant Gaston mij moed in : « De aankomst is het ergst, hou vol ! »

Uit de gang naar een kale zaal geranseld, verschijnen we voor twee officieren achter een lange tafel gezeten.

Eén voor één moeten we onze spullen afleggen, naam en adres opgeven, en wie moet verwittigd in geval van overlijden. Een kapper scheert dan onzen schedel kaal en als galeiboeven staan we weer in een rij opgesteld, de brokkelende kalkmuur aan te gapen.

Weiss en Debot, twee onmenselijke bewakers van het kamp, slenteren rond ons, voor de eerste kennismaking.

« Wat hebt gij uitgestoken, kerel ? »
« Ik weet niet, Mijnheer ».

Een paar vuistslagen weerklinken.

« En gij, stuk bandiet ? »
« Niets Mijnheer, ik heb... ». Slagen breken zijn zin af.

Twee Walen krijgen slagen omdat ze geen Vlaams verstaan.

Debot grijpt mij bij de oren :« En gij, ook gans onschuldig zeker ? »

« Ik ben partisaan,  Mijnheer ».

Eerst kijkt Debot mij verbaasd aan, schiet in een luide lach en roept in 't Duits : Kijk eens hier, mijne heren, hier staan elf onschuldige schapen en deze durft me vlakaf zeggen : Ik ben partisaan.

Ik verwacht mij nu aan een duchtig pak slagen, maar neen, Weiss zet zich half op tafel.

« Kom eens hier, held der duisternis. Hoeveel zwarten hebt gij afgeschoten ? »
« Geen, Mijnheer ».
« En Duitsers ? »
« Ook niet, Mijnheer ».
« Hadt ge geen revolver ? »
« Jawel, Mijnheer ».« Verduiveld, kerel, wat hebt ge dan wel gedaan ? Gij durft bekennen P.A. te zijn en beweert geen enkele daad verricht te hebben ».

Gelukkig ontsnap ik nu juist aan Weiss, doordat het mijn beurt is voor het Jury te verschijnen: Naam ? Geboortedatum ? enz... Gij hebt nummer 2791. Voorwaarts !

Ze jagen ons naar de kleedkamer. Gans naakt staan we hier een tijdlang te bibberen en krijgen dan onze boevenuitrusting : hemd, onderbroek, pull-over, kousen, veldmuts, verkladderde broek en vest zonder zakken: versleten Belgisch legeruniform. Een handdoek en twee dekens moeten we onder de arm nemen.

Om 9 u. van de avond leidt men ons naar de kamers. Samen met Jaak Damand en zijn gebuur, Jozef Demarsin, Désiré Verheyden, Sylvain Smets, twee Walen van Boncelles en Maurits, een 16 jarigen jongeling van Kessel-Lo, kom ik terecht in kamer 7. Ze vormt een langwerpigen rechthoek van 15 m. op 5. Langs beide lange wanden 4 bedden of liever enorm grote kisten met drie verdiepingen. In ieder bed kan 6 man slapen. Enkele stoeltjes zonder leuning, vier ruwhouten tafels, een paar kasten tegen den muur en een kachel maakt het meubilair uit van ons vertrek.

De gevangenen steken reeds verdrietig in hun slaapkisten.

Ik wandel tot achter in de kamer en herken met verbazing een hoofd dat nieuwsgierig over de rand van het laatste bed komt gluren: Jozef Pardon ! Zit gij hier ook, jongen ?

Verwonderd kijkt hij mijn onkennelijk gezwollen aangezicht aan.

« Verduiveld, zijt gij het, Fernand ? »
« Ja vent, ze hebben me ook gesnapt  ».
« Hier zijn nog kennissen, hoor ! Jef, Armand ! Een nieuwe uit Linden ! »

Jef Van de Venne en Armand van Uitvenne steken hun hoofd boven de planken uit.

Pardon fluistert ons toe hoe we het best kunnen slapen op ons lattenwerk, zonder matras, noch hoofdkussen : « Leg twee dekens onder U en dekt U met de twee andere ».               ,

Met Désiré Verheyden betrek ik het tweede verdiep boven onze Lindensche makkers.

Van slapen is echter die eerste nacht geen spraak.

Bibberend van kou zetten wij ons fluisterend gesprek voort. Onze makkers die hier reeds vanaf 22 December vastzitten bestormen ons met allerlei vragen. Plots echter komt een SS. wachter aan het open venster en dreigt naar binnen te schieten als hij nog gerucht hoort.

« Houdt U nu maar stil, zegt Pardon, anders worden we morgen weeral gestraft ».

Tevergeefs trachten we in te slapen. Door de open vensters giert de wind en blaast bijtend op onze kale hoofden, terwijl de 5 centimeter brede latten ons door het rillend vlees snijden.

Gans stijf en verkild begroeten we om 5 u. met vreugde het signaal van opstaan. Onmiddellijk stuift iedereen uit bed. In snel tempo kleden we ons aan en plooien de dekens. Dit moet op perfecte wijze geschieden.

Twee man beginnen dadelijk de kamer te kuisen. De anderen houden zich klaar om naar de wasplaats te gaan.

Als kamer 6 intreed, kleden we ons uit, behalve de broek.

Enkele ogenblikken later werpt een schildwacht de deur open en roept bars : eruit, wassen !

In looppas spoeden we ons naar de kraantjes. Wat water in het aangezicht gepletst, het hoofd wat natgemaakt en we staan terug in de kamer.

Om 6 u. weerklinkt het: eten halen, eruit. Twee man halen in looppas een ketel zogenaamde koffie : voor elkeen een halve liter van dit zwarte vocht. Om zijn weldoende warmte alleen wordt die drank gretig binnengeslokt.

Wie nog wat brood heeft overgehouden, kauwt dit nu langzaam met voorzichtige hapjes op.

Pardon deelt zijn overschotje met mij. « Gewoonlijk hou ik wat meer over », vertelt hij, maar gisteravond kwelde de honger mij zo erg, dat ik er niet kon afblijven.

Later eerst begrijp ik voluit de grote opoffering die Pardon hier nu deed. In Breendonk 50 gr. brood met een makker delen was een groot offer, iedere kruimel werd er met een natgemaakte vinger zorgvuldig opgeraapt.

Even vóór 8 u. klinkt een nieuw Duitsh commando : Arbeiders eruit!

Kamer 7 telt geen arbeiders, slechts arrestanten die nog niet verhoord zijn.

Uit de aanpalende kamers marcheren nu een paar honderd gevangenen door de gang, het plein op, waar de luitenant ze inspecteert, en dan naar den arbeid zendt.

Wij moeten tot 12 u. zonder verroeren vóór ons bed staan. Nu krijgen we de gelegenheid met elkaar kennis te maken en ons wedervaren te vertellen. De nieuwelingen wordt de beste gedragslijn voorgehouden, want iedere begane flater kost buiten een extra-ranseling heel dikwijls een gezamenlijke straf voor heel de kamer : meestal een dag zonder eten.

We worden ook bijzonder op onze hoede gesteld voor luitenant « Buldog », een echte nazi: middelmatige gestalte, plomp voorkomen en een vet verdierlijkt gelaat.

Meer dronken dan nuchter, komt hij vooral 's Zaterdags en 's Zondags stinkend naar alhokol en wreder dan ooit met zijn onafscheidbare zweep de kamers op, wrijft met de vinger over een bed, beweert dat we niet kuisen en slaat er op los. Loopt tegen iemand aan, vloekt omdat deze niet uit den weg gaat en slaat er weer op los. Springt ge tijdig op zij, dan is 't dat ge niet in houding staat en weer ranselt hij met de zweep. De zeldzame keeren dat hij niet slaat is het omdat hij in de andere kamer moe gegijseld is.

Weiss, een vlaming van rond de 25 jaar, groot van gestalte, zoon van den brugdraaier van Willebroek, is vroeger nog opgetreden in een bokstent op kermissen, beweren sommige kameraden. Nu, boksen kan hij wel, dat heb ikzelf meer dan eens ondervonden.

Hij is een oprecht woeste kerel, die zijn slachtoffers martelt tot ze er bij vallen. Meer dan eens zie ik hem aan 't werk.

Een genaamde Blum van Brussel is dikwijls blootgesteld aan zijn gruweldaden. Met een grijns roept hij deze op zij en begint hem het gelaat te overboksen, nu en dan eens rondglurend of de andere beulen hem wel gadeslaan. Zonder de minste reactie doorstaat Blum die regen van slagen tot hij eindelijjk door de pijn overmand ineenzakt; dan aapt Weis een scheidsrechter na en telt tot tien. Wanneer hij bijkomt begint Weis opnieuw. Tot driemaal toe stuikt Blum bewusteloos neer.

Dat noemt Weis zijn entrainement om in vorm te blijven. Zijn slachtoffers begraven is ook zijn geliefkoosd werk. Dan moet men gaan liggen in een greppel. Weis, dikwijls geholpen door zijn collega Debot, werpt dan zand over het lijf, alleen het hoofd vrij latend. Wanneer men de mond opent, werpen zij een schup zand in volle gelaat, roepend : zand wreten, kerel. Gij hebt toch altijd honger.

Om de spieren lenig te houden worden de gevangenen op tijd overtrapt.

Deze oefening gebeurt meestal wanneer Weis een sukkelaar in de gaten krijgt die zijn pijnlijken rug betast.

Onmiddellijk komt hij aanstormen en beveelt: liggen, lui zwijn. Met zijn zware laarzen overrrappelt hij zijn slachtoffer van de benen tot de hals en wee hem die durft een schreeuw uiten, die krijgt een laars in volle aangezicht of wordt met het gelaat in het zand geduwd tot hij snakt naar lucht.

Debot van Deurne, 46 jaar oud, heeft een zoon aan het Oostfront.

Hij draagt heel hoogmoedig, evenals Weis, den graad van Sturmführer.

Iets minder beestachtig dan Weis slaat hij er ook te pas of te onpas onmeedogend op los. Alleen in de geraffineerdheid der kwellingen en plagerijen staat hij bij Weis ten achter.

Wanneer Debot goed gezind is, kan men hem een of ander vragen zonder geranseld te worden. Weis durft niemand lastig vallen met een gebroken klomp of dergelijke kleinigheid.

Nummer 4 was De Vos, een Gentenaar, gevangen sedert begin 1941 en dragend n° 201. Nu is hij lagerfuhrer. Hij is een der laagste schepsels die wel op aarde rondlopen, slaafse hond van de Buldog, alhoewel hij door deze laatste ook dikwijls afgerost wordt.

Door de gevangenen gehaat en gevreesd is hij steeds op zijn hoede.

Bij de minste reden gaat hij de jongens te lijf en brengt sterk overdreven alles aan zijn meester over. Hij wordt wellicht meer gevreesd nog dan deze laatsten zelf.

Dit zijn de vier voornaamste beulen van Breendonk. De andere SS monsters zijn ons onbekend, verblijven maar tijdelijk te Breendonk en zijn dan ook niet zozeer te duchten dan de vier treurige hoofdhelden van het slavenrijk.

Om 10 u. gaan we gezamenlijk naar de W.C.. Buitenstaanders zouden schaterlachen bij het zien van die scène, voor ons is het een treurige geschiedenis. Een SS verschijnt in de deur. Op één wenk loopt de kameroverste de gang in en komt terug met een hoop blauwe zakken, die haastig worden doorgegeven tot ieder paar gevangenen er een heeft. Soms schiet er een zak te kort, dan moeten we maar met drieën in één kapruim. Zo lopen we in rij naar de vertrekken. Echte sukkelgang. Met de ene hand wordt de zak zo gehouden dat we juist de grond voor onze voeten zien. Met de andere houdt de ene makker zijn maat vast, de andere de jas van zijn voorganger. Het wordt een getrappel van verwarde klompen, een hopeloos getrappel om niet op elkaars hielen te treden, als er een uit de pas geraakt.

De kadans luidop meetellend om geen stampen te krijgen looen we zo 75 m . ver. Daar rukken we de zakken van het hoofd en bestormen we ieder een hokje. Na enkele ogenblikken reeds, niet half genoeg om volledig onze behoefte te doen, klinkt reeds het woord : Vaardig !

Broeken op, zwijgend in rang, de zakken op en terug gaat de sukkelmars naar de kamer toe.

« Alles is goed afgeloopen, zei Pardon, er zijn niet veel klappen uitgedeeld ».

Terug in de houding voor het bed, wachten we verlangend naar de roep : eten halen !

Vier man verdwijnen nu in looppas de gang uit. Vóór de keuken worden ze in dubbele rang door De Vos, de schrik van Breendonck, gelijnd.

De ene klomp mag geen mm. vóór den andere uitsteken. Na een signaal van de luitenant halen de karweimannen, om de beurt twee ketels soep buiten.

In onze kamer worden wij nu geteld door Weis of Debot. Wanneer de luitenant binnentreedt roept de kameroverste : achtung ! — Her luitenant, ik meld U kamer 7 door 42 gevangenen betrokken.

Daar die melding in de Duitse taal niet altijd heel vlot verloopt, is een paar oorvegen van de luitenant heel dikwijls het beleefde antwoord.

— Fortmachen! — Onze stijfgestrekte lichamen ontspannen en de soepketels worden aangevangen.

Met gelijke portie's, dun gestampte brei gevuld, staan de kommen op 4 rijen geschikt. Met 4 genummerde houten stokjes wordt nu de rij voor iedere tafel verloot. Dit, om geen lieve kinderen te maken en alles billijk te verdelen. Want het is genoeg dat men maar drie bonen, erwten of aardappelstukken in zijn soep vindt waar een tafelmaat er vijf, zes telt om zich doodernstig verongelijkt te achten.

Met profijtige hapjes werken we nu onze liter soep binnen en mogen dan rusten tot 1.30 u., ten minste als De Vos ons de duivel niet komt aandoen.

Daarna weer maar  in  houding staan tot 17  u.  We krijgen dan een halve emmer kolen, wat schafeling, enkele groene takken en mogen vuur maken. Met veel moeite krijgen onze specialisten, na sterk blazen en proesten het vuur toch altijd aan.

Intussen hunkeren we een uur lang naar de gewichtigste gebeurtenis van den dag : het avondmaal.

Bij mijn aankomen te Breendonk bestond dit uit 375 gr. brood, 20 gr. boter of margarine, 1 lepel suiker, een kleine lepel gelei, soms een kaas van 50 gr. voor 12 man of enkele appelen en éénmaal in de week gezouten sardienen. Een uitgebreid maal, niet waar ?

En hoeveel tijd vooraleer dat allemaal uitgedeeld geraakt ?

Vier man die slechts over één tafelmes beschikken, snijden de brooden van 2 kg. zo gelijk mogelijk door. Een andere verdeelt de boter in 42 porties. Door loting wordt alles uitgereikt.

Als smeertuig gebruiken we zelf vervaardigde houten mesjes.

Wie alles ineens opeet, moet vasten tot 's anderendaags 's middags.

De meesten houden daarom een brokje over als morgenmaal.

Algauw zit de honger ons in de knoken. Honger ! We kenden de vreselijke betekenis van dat woord niet. Honger verwarden we vroeger met eetlust, nu is honger een groeiende, knagende pijn die het keelvlies ontvlamt, de maagspieren verkrampt, de darmen rillen doet en heel het hunkerend lichaam, uitmergelt.

En die pijn verlaat U geen ogenblik vanaf ge Breendonk binnen gaat tot ge het verlaat of de dood er U uit verlost.

De pijn van mishandelingen gaat voorbij; op latten slapen lijk de hennen wordt men gewoon. Maar de hongerpijn van  'n ongevulde maag knaagt onophoudelijk.

Zelfs in onze slaap, kunnen we dat gevoel niet kwijtspelen.

We dromen maar steeds van eten. In ons onderbewustzijn zoekt ons onvervuld verlangen een oplossing en 't zijn dromen van lekker en goed : Ik zie voor een uitstalraam een geurig gebak, treed binnen en juist wanneer ik een stuk taart naar den mond breng... schiet ik wakker, 't Lukt nooit, nooit komt de voldoening. Verdoemde nachtmerries !

Dat honger de ergste folterstraf is weten ook onze beulen. Om een minste kleinigheid worden we een dag of twee op vasten gezet. Even vóór onze aankomst gebeurt dat nog met kamer 7. Het W.C. vertrek, Frans model, dat Edmond Autevelds van Leuven betrekt, is bevuild :

« Welke smeerlap heeft hier gezeten ? », mompelt hij.

Woedend schiet een SS bewaker uit : « Wie zegt hier smeerlap tegen mij ? »  Niemand spreekt.

De luitenant wordt verwittigd, komt met zijn zweep de kamer opgevlogen, slaat links en rechts in het rond, houdt inspectie en ontdekt zogezegd een paar beschadigde planken aan een der bedden. Dit heet hij sabottage!

Moe geslaan spreekt hij de straf uit: Zonder eten tot de dader zich meldt. Als sanctie voor de sabotage : alle matrassen en hoofdkussens uit de kamer en voortaan allen werken !

Spontaan treedt Autevelds vooruit en bekent dat hij het was die gesproken heeft. Het is te laat. Hij krijgt een extra pak slaag en gans onze kamer blijft 48 u. zonder eten. Om de wanhoop ten top te drijven wordt elke middag de soep binnengebracht, doch na het appel weer buiten gedragen.

Die twee dagen moeten we nog werken en als oefening op onze buik door de modder kruipen.

Zwijmelend bereiken de meesten na de tweede dag de kamer. Dan krijgen we een portie zuur geworden soep te verorberen.

De beulen kennen heel goed de uiterste grenzen van het uithoudingsvermogen. Sterft er wel eens een zwakkere aan ellende en uitputting, er blijven er altijd genoeg over om hun wreede lusten bot te vieren.

Na het avondmaal, gezellig rond de kachel geschaard, beleven we een paar gelukkige uren. Het vuur spettert vrolijk en de goedige warmte streelt onze lijven. Dan komen de tongen los. Ieder om de beurt vertelt zijn geschiedenis, het oorlogsnieuws dat toch doorzijpelde, zijn toekomstplannen, zijn droomen...

De pessimisten hebben weinig bijval, de optimisten worden gretig aanhoord. De gevoelsmensen halen herinneringen op. De zakenlui houden koopdag en bestellen. .. a terme ! De spotvogels verkopen lol!

Jaak Damand, de grappenmaker van de kamer, beweert dat Breendonk een senatorium is. Vóór zijn gevangenschap leed hij aan vallingen, bronchites en andere kwalen, nu is hij volledig gezond.

Hij woog, bij de laatste weging, gans naakt nog 48 Kg. en besluit daaruit : als ik nog enkele kg. verlies zal ik weldra dwars over de latten moeten slapen of ik val er tusschen door. Na iedere nieuwe ranseling weet hij een pittige mop te tappen. Zijn onafscheidbare vriend en gebuur Desiré, ook een zestigjarige, zwartkijker van natuur, en onverbeterlijke knorpot, heeft het met hem dikwijls aan de stok, tot groot vermaak van ons gezelschap.

Albert, een kleermaker van aan de Tiense Poort te Leuven, heeft zich uit een suikerdoos een spel kaarten gemaakt die hij zorgvuldig verbergt, en waarmee hij zich in 't geheim vermaakt.

Jozef Pardon van Linden, steeds goed gehumeurd, beweert maar aldoor dat de oorlog in zijn laatste maand getreden is. Hij koopt en verkoopt auto's en moto's, alles af te handelen na de oorlog.

Hier is iets aan 't veranderen, zegt hij eens, want het is reeds sinds gisteren morgen dat ik geen rammel meer kreeg.

Jef Vandevenne van Linden, acht zich heel ongelukkig bij de etenbedeling. Telkens denkt hij een magere portie te hebben gekregen. En toch weet hij er soms nog een stuk van over te houden om in 't geniep aan zijn zoon door te geven die in kamer 6 zit.

Desiré Verheyden uit Rotselaer verwijlt aldoor in gedachten bij vrouw en kind, doch klaagt nooit.

Henri Leempoels die droomde van matroos worden, zoekt altijd gesprek met een andere gezel, schipper van beroep, en samen met Frans Verycken hebben ze het steeds over reisverhalen en aardrijkskunde.

Mars, gemeentesecretaris van St.-Jons-Winge, spant zich in de moedelozen op te beuren. Herhaalde malen deelt deze moedige en offervaardige ouderling de helft van zijn soep aan zijn tafelgenoten uit, liegend dat hij ze niet kan uitkrijgen. Zijn medelijdend hart drijft er hem toe het lot van zijn makkers te verzachten. Voor die enkele lepels soep zullen we hem eeuwig dankbaar blijven.

Jules Merx (Tist Muziek) en Leon, beiden van Lubbeek, zijn twee spotvogels en geven alle SS mannen een gepaste bijnaam: Gontram, of Guike, of Schenkel... ze dopen maar op!

Roger De Coster van Wespelaer is aangehouden met vader en twee broers. Nog geen zestien jaar oud en door moeder nog vertroetelt moet het hem hier zeer hard voorkomen. Hij gedraagt zich nochtans prachtig. Eenmaal slechts, toen hij van zijn lieve moeder sprak, rollen hem de tranen uit de ogen.

Emile Van Tilt van Holsbeek wiens broer ook vast zit bekommert zich veel om zijn Ma en zijn zuster en trekt het zich aan, na de oorlog zijn onderbroken studies nog te moeten voltooien.

Louis, een beenhouwer van Tildonck, verkoopt voor 14.000 fr. zijn auto aan Jef Pardon.

Edmond Autevelds en Pierre Reniers, beiden van Leuven, stellen de fijnste menus op en leren elkaar recepten van de lekkerste gebakjes. Wij watertanden er van.

De stille, zachtmoedige André Doms van Linden, beurt iedereen op door zijn vaste overtuiging van een spoedige bevrijding.

Jozef Demarsin vindt het spijtig dat hij de Zwarten nu niet meer kan pesten.

Sylvain Smets zint er op dat hij nog zelf zijn oogst zal kunnen inhalen.

Jozef Harmonika van Kessel-Lo bestelt me heel optimist 200 fruitboomen om een boomgaard aan te leggen; hij verliest echter spoedig de moed geobsedeerd door de gedachte dat de paal hem wacht.

André, een haarkapper van Tienen, en zijn  vriend René, 'n Marcel van Kessel-Loo, Warke de smokkelaar van Herent, de Limburger Alfred Pare met broer en twee makkers en vele andere lotgenooten nog wiens naam ik mij niet meer herinner, troosten elkaar in steeds opgeruimde gesprekken en gezwets.

  

Aan de Arbeid

Na drie dagen van dat leventje, verandert ons uurrooster en onze bezigheden. Voortaan moeten we drie à vier dagen per week aan de arbeid.

Om 8 u. 's morgens springen we vliegensvlug de kamer uit en marcheeren de koer op in rangen van vier. Een paar nieuwelingen die de Duitse bevelen nog niet begrijpen ontvangen de gebruikelijke muilperen.

Met een schup op de schouder komen we op het werk aan, moeten hier vest en pull-over uittrekken en in onze korte hemdsmouwen het werk aanvatten. Uit de hopeloos-grijze lucht is een dikke laag sneeuw gevallen.

In snel tempo moeten we nu kipwagentjes vol zand laden, 500 m. verder stoten, omkippen en lopend terug komen. Wee hen die het werk niet kunnen bijhouden. De zweep kletst hen onmeedogend op de ruggen.

In onze ploeg arbeidt eens een oude man en een jongeling van 16 jaar met verwonde voet. Mijn gezonde makker en ik doen ons best om gelijken tred te houden met de anderen. Langzaam geraken we echter een paar meter achteruit. Weis krijgt het in de gaten. Hij springt op ons karretje om de vracht nog te verzwaren en zweept ons aanhoudend op handen en schouders. Om de beurt rijden zo Weis en Debot met ons mee om ons op te jagen. Op iedere kromming staan verder nog SS beulen die onze benen overzwepen. Nooit scheen een arbeidsdag mij zo lang als deze in dit ellendig winterlandschap.

Gelukkig mogen we 's namiddags gaan baden !

Die stortbaden brengen ons geen verkwikking maar wel bijna altijd een pak slagen.

Om 2 u. brengt De Vos ons zuiver ondergoed : kousen, hemd, onderbroek en handdoek.

Weer met een zak over het hoofd sukkelen we naar de badplaats.

We mogen alleen broek en hemd aanhouden en moeten zo een kwartier staan wachten in de bijtende kou.

We krijgen achtereenvolgens een gulp koud water, dan plotseling veel te heet en om ons af te koelen weer ijskoud. Wil men soms het te hete of te koude stortwater ontwijken dan wordt men er met vuistslagen terug onder gejaagd.

Die zuivering zonder zeep duurt slechts enkele ogenblikken.

Om ons af te drogen vinden we geen tijd. Snel broek en vest aan en terug in 't gelid.

Er zijn twee recht tegenover elkaar gelegen kleedkamers. De brave Jaak Damand vergist zich van kamer bij zijn terugkeer, zoekt tevergeefs naar zijn spullen en staat nog naakt als de anderen reeds gekleed zijn. Een vriend raadt hem aan eens aan de overzijde te gaan kijken. Daarom moet hij de badkamers door. Een paar SS-en krijgen dat in 't oog. Een minuut later komt Jaak als een hazewind de kamer binnengestormd, met één hand zijn broek ophoudend, met de andere zijn vest vastklampend, achterna gezet door de SS mannen.

« Verduiveld, zei Jaak, die verdoemde varkens zouden een mens nog, vlug maken ! »

  

Doden

Op een mistige wintermorgen klinkt van op de koer het bevel:

« Vensters dicht! » Een angstige stilte heerst in de kamer en velen kijken elkaar verblekend aan.

« 'k Heb het gedacht, mannen, zucht Rik Leempoels, het is reeds meer dan 8 u. en de arbeiders zijn nog niet buiten, noch de patattenschillers van kamer 1 ».

« En de Buldog liep deze morgen met papieren rond » wist een andere.

« Wat betekent dat dan ? » waag ik.

« Wie weet ? Waarschijnlijk weer jongens die zullen gefusilleerd worden ».  Ik zwijg, diep ontroerd.

Een tijd later verschijnt Buldog in onze kamer en roept: n° zooveel en n° zooveel... heraus !

De twee gebroeders van Boncelles verlaten de kamer om nooit meer terug te keren. Achtereenvolgens zien we ook Jozef Peeters, Edouard Vertongen en Desiré Regent met nog enkele ongelukkige makkers aan het venster voorbijgaan. Hun laatste uur is geslagen.

« Ze gaan weer enige onzer beste jongens afslachten ! »

Vaarwel, Peeters ! Vóór enkele dagen stonden we nog samen met een revolver in de hand om een verrader zijn verdiende straf toe te dienen. Nog hoor ik U zeggen achter uw masker : laat ons voortkomen want om 2 u. moet ik terug op controle zijn. Nu moet ge uw daden van zelfopoffering met de dood betalen. Vaarwel mijn ongelukkige partisanenbroeder !

Vaarwel ook Desiré. Uw onverbiddelijke haat voor de zwarte moet ge met uw leven betalen. Binnen enkele minuten zullen uw lichamen, doorzeefd van kogels, bloedend neerstorten.

O laffe Vleugels, ziedaar de eerste slachtoffers van uw verraad.

Ook gij ziet ze voorbij uw kamer gaan. Krimpt ge nu niet ineen van wroeging en spijt. Maar neen, uw eigen mislukte leven is U meer waard, onnozele hansworst. Gij denkt dat laffe leven te redden ten koste van uw kameraden. Maar als het nazigebroed uw leven spaart zal wel altijd één van de onzen overblijven om U als verklikker en eedverbreker te vonnissen.

Een zware vrachtwagen komt de koer opgereden, een peleton soldaten stapt dreunend voorbij, gevolgd door het klompengekletter der martelaren, 'n Doodse stilte, tien lange minuten... een doffe knal. Het is volbracht. Breendonk telt tien slaven minder.

« Vervloekte honden! » schreeuwt het verdrietig in ons hart.

We maken zwijgend een kruisteken en bidden voor de gevallen helden.

De soldaten keren terug, de auto verdwijnt. Een andere vrachtwagen komt aanrijden en wordt geladen... met de lijken der slachtoffers voorzeker.

Diep onder den indruk en met bleke lippen, staren we elkaar hopeloos aan. Onze toegesnoerde kelen ontkroppen, langzamerhand komen de tongen los en we vernemen verhalen van vroegere massamoorden.

Droevigste dagen uit ons droevig bestaan. Herhaalde malen zou ik zulke wanhopige uren beleven. Onuitwisbaar staan ze in mijn geheugen gegrift.

Jammer dat de rechters die nu de verraders zo zacht beoordeelen niet eens zulke dag in Breendonk meemaakten. Jammer dat ze niet eens bij zulke fusillade een siddering van af grijnzen door merg en been gevoelden. Jammer dat ze die Waalse kameraad in doodsangst niet hoorden roepen : Erbarm U, Heren, ik heb niets misdaan, laat mij toch nog eens mijn vrouw en kinderen zien. Jammer ook dat ze het antwoord van Weis niet gehoord hebben : een dierlijken, luide lach en zweepslagen op de naakten rug van de veroordeelde.

Dan zouden de zwarte landverraders er zo goedkoop niet vanaf komen als nu.

Na dat bloedig treurspel moet ons leven zijn gewone gang rollen.

Om 10 u. aan de arbeid, marsch ! Naar de dodenpalen toe... Als verminkte kruisen staan ze getekend op de grijze horizon. Aan hun voet, wat rood bespreutelde aarde.

O profane dodenakker van Breendonk, wat zal uit het bloed van die vele slachtoffers gedijen ?

Wijzelf moeten nu die bebloede grond met zand bedekken en de doorschoten palen door nieuwe vervangen onder de lasterrijke scheldwoorden van Weis en Debot.

Voor wie die palen ? Voor onze vrienden ? Voor onszelf ? Hoelang nog... O zedelijke marteling, o wanhoop uit die dagen!

Nog verscheidene moordpartijen zouden volgen eer we Breendonk verlaten.

Onze vriend, Edmond Autevelds heeft het wrange voorgevoel van zijn droevig lot. Meestal staat hij naast mij aan 't bed met rechtover ons Pierre Reniers. Edmond wordt steeds zenuwachtiger en zekeren dag verklaart hij mij : « Ik weet niet wat me scheelt, maar ik denk altijd dat het met mij niet lang meer zal duren ». Ik tracht hem moed in te spreken en te overtuigen dat hij niet meer te vrezen heeft dan ik.

« 't Is te hopen », is het enige antwoord.

Geen hond nochtans huilde hier naar de dood van een stervende.

Twee kloeke, gezonde levens stonden op toen de Buldog het onheilspellend woord :  « Vensters dicht »  riep en dan de kamer in: n° zoveel... en n° zoveel... heraus ! Zijn voorgevoel had hem niet bedrogen. Met een weemoedige blik in de ogen, zoekt Edmond mijn hand, drukt die stevig en fluistert: « 't Is zover, vaarwel, doe de groeten aan mijn vrouw ».

Gevolgd door zijn makker, verlaat hij schoorvoetend de kamer, ons in diepe neerslachtigheid achterlatend. Onze vochtige ogen staren hun schimmen na door de matglazen vensters, onze oren beluisteren hun laatste stappen en de eindeloze dodenstilte over het kamp... Na een half uur knettert in de verte een salvo. Een schaar jonge vaderlanders waren de  dood  ingegaan.

  

Een Vluchtpoging

De afzonderlijke kamers in het kamp leven gans gescheiden van elkaar zonder de minste onderlinge betrekking.

Alleen bij de kubel-karwei, t.t.z. het reinigen der kubels in de W.C. treffen zich kameraden van verschillende kamers aan en hebben de gelegenheid wat nieuws te vernemen, een boodschap over te maken of een afspraak te vragen voor een volgende dag bij dezelfde karwei.

« Fernand, ge moet morgen eens zelf met de kubels gaan, een vriend van kamer 11 wil U zien» boodschapte me op een morgen een makker die van de W.C. terugkwam.

Heel benieuwd, trek ik 's anderendaags 's morgens op. Ik tref er Staf van Aerschot en Aerts, een politieagent van Herent.

« Welnu, Tarzan, hoe is 't ? Altijd even ellendig hé. Zeg hebt ge er al eens aan gedacht te vluchten ?

« Jawel, maar het is totaal onmogelijk ».

« Luister, kom alle dagen met de kubels; wij hebben een plan ontworpen dat veel kans  tot slagen biedt ».

Elke dag spreken we zo enkele minuten met mekaar over deze ontsnappingspoging. Alles is zo goed mogelijk voorzien. Slechts enkele mannen worden ingewijd om zoveel mogelijk verklikking uit te sluiten.

Op onze kamer hebben Alfred Pare, Henri Leempoels en Jozef Demarsin toegestemd om mee te doen. Deze zijn bereid, liever hun leven te wagen dan hun onzeker lot af te wachten.

De ontvluchtingsdag wordt vastgesteld op den zaterdag vóór Pasen. Als niets tegenvalt heeft ons plan veel kans op slagen.

Bij het uitdragen der kubels zijn alle deuren los. Vijf schildwachten gewapend met mitrailletten staan op afstand verdeeld over de af te leggen weg. Nu moeten de karweigangers zich zo schikken dat tegelijkertijd vóór iedere schildwacht een ploeg komt te staan. Zonder verder sein moeten op dat ogenblik de schildwachten overvallen en met het minst mogelijke kabaal ontwapend worden. Terwijl enkele van ons de gevangenen op alle kamers verwittigen, moeten de andere de wachten op de koer overvallen.

Intussen zal Edouard Igo, die in de keuken werkt, de electrische leiding vernielen zodat het kamp in duisternis gehuld zal liggen. Dan blijven nog de wachten rondom het kamp; maar met de wapens die we aan de schildwachten zullen ontnemen, zouden we die wel vlug klein krijgen.

's Maandags is alles bepaald. We besluiten er niet meer over te spreken vóór zaterdag.

« Zorg dat het lukt hé », zegt Aerts, « anders word ik zeker en vast neergekogeld ».

Het avontuur is gewaagd maar biedt zijn kans. Wat zouden we al niet op het spel zetten om die hel te ontkomen !

In onze borsten zwelt een geheime hoop.

De donderdag vóór onze groten dag, horen we eensklaps een aanhoudend gejammer en gekreun in de gang.

« Verduiveld, ze zijn weer iemand aan 't martelen » zegt Jef Pardon.

« Hoor die ongelukkige eens kreunen, die zal het ook weer voor geen mop voort vertellen ».

Plots verschijnt midden ons de Buldog met zijn zweep in de hand.

« N° 2791, heraus! » Verwonderd vlieg ik de kamer uit. Twee SS handlangers grijpen me vast, slaan, stampen en schelden me uit en brengen me tot vóór de deur van de folterkamer. Door een SS man bewaakt, sta ik daar met knikkende knieën, sidderend als een blad te vrezen voor wat gaat komen.

Binnen hoor ik een hels lawaai : een slachtoffer wordt bewerkt. Die slagen en dat gejammer komen mijn angst nog vergroten.

Eindelijk gaat de deur open.

Een ruwe hand rukt me een halven draai om, en ik zie Staf Van Aerschot naar buiten wankelen onkennelijk geslagen.

Juist toen mijn bewaker mij aan den beul wou toevertrouwen, die mij met opgestroopte hemdsmouwen en een knuppel in de hand, in de deuropening staat op te wachten, wordt deze onmensen weggeroepen.

Welk geluk! Op het nippertje ben ik aan de zo zeer gevreesde folterkamer ontsnapt.

Nu wordt ik in looppas naar de smederij gedreven.

Hier rijzen me opnieuw de haren te berde van ontzetting. Edouard Igo zit te midden der smidse. Zijn linker oog is zo gezwollen, dat hij het niet meer openen kan. Een straaltje bloed loopt over zijn blauw geslagen gelaat. Met een onmogelijk weer te geven blik kijkt hij mij aan en beziet dan zijn met dikke, nog dampende ketens, bekluisterde benen. Een gezel verwijdert zich met een kom water wijl een andere mij meteen aanstaart, een steekvlam in hand. Angstig kijk ik dat aan en mijn zenuwen zijn zo overspannen dat ik me verbeeld verschroeid vlees te rieken.

Ook mij worden ijzeren ringen om de henkels gesmeed, aaneengekoppeld door een keten van 9 dikke schakels.  Dit weegt samen zo maar ongeveer  5 kg.

Onder slagen en stampen worden we dan naar de wasplaats gejaagd met de armen omhoog. Hier staan ook geketend :  Staf Van Aerschot en Gislain Godevriend, 68 jarige oom van Igo. Hoe deze ouderling hier terecht komt, weet ik niet. Gezien zijn hooge ouderdom, was hij absoluut niet in ons complot betrokken. Achter ons bespieden ons twee wachters. Bij de minste poging om onze armen, door pijn overmand te laten zakken, worden deze met kolfslagen op de gewenste hoogte gebracht.

Na een paar uren van die marteling mogen we terug onze kamer in.

Als ik daar met mijn ketengerammel binnenstrompel, gaapt heel de kamer me, stom van verbazing aan. Niemand begrijpt er iets van en ik word dan ook met vragen overstelpt. Wijselijk wantrouwig vertel ik hun niets van de mislukte ontsnappingspoging. « 'k Begrijp er zelf niets van, lieg ik. Ik heb alleen iets opgevangen van vluchten ».

Wie ditmaal weer de verrader had gespeeld, weet ik niet. Later in Duitsland vertelde Vleugels me dat één onzer vroegere makkers ons dat geleverd had.

Gelukkig dat onze beulen niet beter op de hoogte waren geweest, anders liepen nu in plaats van vier, een twintigtal kameraden in de ketens.

Buiten hun eigen last, brandmerken deze vervloekte ketens ons in de ogen onzer bewakers. Ze drijven onze kwellingen tot het uiterste. Ze werken op onze beulen als een rode lap op een stier.

Ik word daardoor het mikpunt van hun plagerijen.

's Morgens bij het gaan wassen krijg ik gewoonlijk een vuistslag in volle gelaat of een bos zware sleutels op het hoofd. Soms zetten ze hun voet op de ketting om mij te doen struikelen. Doch de grootste ellende komt nog van het werk. We moeten, niettegenstaande onze last, het rythme van het werk volgen zoals de anderen. Men kan zich wel voorstellen welke inspanning het mij kost om gelijken tred te houden met de werkmakkers, en passen te nemen van veertig cm. met een gewicht van 5 Kg .  aan de voeten.

De eerste dag roept Weis me apart. Met zijn schup tekent hij een blok zand af van ongeveer vier kubiek meter, en beweert dat ik die vóór den middag nog moet uitgraven en omhoog werpen.

Een uur later had hij mij reeds te pakken. Ik moest een plein van ongeveer 1 50 m .op en af lopen en me daarbij alle vijf meter op den buik laten vallen. Met bloedende henkels, veroorzaakt door het wrijven der ketens, herneem ik het werk. Na de middag als ik terugkeer, grijpt hij weer mijn schup. Hij beveelt me vest en pull-over uit te trekken en intussen bewerkt hij mijn hoofd met de steel der schup. Wanneer hij weg is, betast ik mijn gloeiende schedel en tel dertien bulten.

Even later komt hij terug en roept spottend : « Hewel,  oude beer,  nu draagt ge nog horentjes ook ! »

Met een zucht van verlichting hoor ik die dag het eindsignaal van de arbeid. Maar de beproevingen zijn nog niet ten einde.

Bij den terugmars klinkt het bevel: inleggen! Dit is ons plat op den buik leggen. De ploeg werklui, die op 20 m. afstand volgt, wil uitwijken maar moet dwars over ons marcheeren en er zich ook laten opvallen.

« Als er een paar hun kop kwijtgeraken is 't niets, schreeuwt Weis,  't zijn toch lijken waar ge op trapt ».

Dit wreede spel herhaalt zich alle twintig meter tot we de koer bereiken.

De ijzers wreten diepe, etterende wonden aan mijn voeten die maar niet genezen en steeds opnieuw worden opengerukt, wat een ondraaglijke pijn veroorzaakt. Als aandenken aan Breendoncks folteringen, draag ik er heden nog de littekens van.

Op de koer wacht ons een andere verrassing : Isidoor Van Geertruiden ligt gebonden tegen de muur. Zijn misdrijf ? Hij heeft een ajuin gestolen.

Kamer 1 zijn de « pattatenschillers ». Naast de « pattatenkelder » liggen de appels. Het gebeurt wel eens meer dat er één kan van geratst worden en snel naar binnen gespeeld. Dit smaakt natuurlijk beter dan de rauwe aardappels die de schillers als bijrantsoen in 't geheim verorberen. Nu en dan riskeren ze zelfs enkele aardappelen naar de kamer te smokkelen en daar in de kachel te bakken. Vandaag is Knikker, een Leuvenaar, er weer in geslaagd een zozeer begeerde appel weg te kapen. Snel breekt hij hem in tweeën en geeft de helft aan een vriend. De Vos, die op loer staat, betrapt daarbij de kauwende Knikker die wurgt om zijn halve appel er door te krijgen. Na zelf de ongelukkige te hebben afgeranseld, gaat De Vos de Buldog verwittigen. Deze doet inspectie in de kamer : één ajuin, een paar aardappelen en een handvol bonen komen te voorschijn. Dan begint de heksendans. « Allen bovenlijf ontbloot.! » Met zijn zweep geselt hij de naakte lijven immer roepend: ha, Sie haben geklaund! Nu moet hij weten wie die dingen in de kamer gebracht heeft, iedereen zwijgt van schrik. Dan spreekt Van Geertruiden bedeesd : « Ik heb het gestolen ». « Wat hebt gij gestolen ? »

« Een ajuin, Heer Luitenant ».

Hij wordt vastgegrepen, geboeid en op de koer neergeworpen. Daar heeft onze makker tot 5.30 u. gelegen. Nu en dat giet een SS man hem een emmer water over het hoofd.

Voor straf moet Kamer 1 de volgenden dag op ellebogen en knieën over een groten hoop steenen kruipen, zodat bij velen deze lichaamsdelen gekwetst en opengereten worden. Als zalvende troost krijgen ze daarbij van heel de dag geen eten.

Om onze ellende te vergroten wordt ons broodrantsoen op 1 April van 375 gr. op 300 gr. gebracht, en de soep wordt elke dag magerder.

  

Rechterlijk Onderzoek te Breendonk

Een zekeren morgen hangt een ongewone stilte over het kamp. Het eten moet zwijgend gehaald en 't geschreeuw van den Buldog is niet in de lucht.

De mannen die het eten binnenbrengen beweren dat het krijgsgerecht komt zetelen.

Daar dit nog nooit gebeurd is wordt dit nieuws heel sceptisch onthaald. Tocht is het waar. Een comedie van schijngerecht begint en veroordeelt twee en dertig Limburgse partisanen waaronder onze kameroverste Alfred Pare.

Hulde wil ik hier brengen aan Alfred. Hij is als D.T. aanvoerder, door verraad gevangen en verblijft reeds verscheidene maanden in Breendonk. Tweemaal wordt hij in de folterkamer gepijnigd, maar geen woord komt over zijn lippen.

Na de eerste foltering, brengen twee SS mannen hem in de kamer terug : hij is bewusteloos. Twee dagen lang ligt hij te bed, aanhoudend kreunend en alle eten weigerend.

Als hij hersteld is, nemen ze hem een tweede maal onder handen. Wijl hij gans naakt en de handen op den rug geboeid staat, slaat men een haak achter de boeien en langzaam wordt Alfred in de hoogte getrokken. Als een gekruiste Christus hangt hij zo een half uur in de grauwe lucht van het Breendonks Golgotha.

Hij spreekt nog niet. Een electrisch apparaat brandt dan veertien wonden in zijn vlees. Hij toont mij later de littekens op zijn zitvlak.

Bloedend en gebroken strompelt hij de kamer binnen. Enkele vrienden schreien van medelijden. Twee tanden zijn hem uitgeslagen en door het bloed dat hem uit de mond loopt, zegt hij fier : « En toch heb ik niet gesproken ».

Twee dagen duurt het verhoor waarvan de meeste slachtoffers geen jota verstaan, daar alles in de Duitse taal geschiedt.

Vier en twintig op de twee en dertig worden ter dood veroordeeld.

Om hun comediespel een schijn van gerecht te geven, mogen de veroordeelden een genadeverzoek aan von Falkenhausen richten.

Dit wordt natuurlijk verworpen.

Twintig dagen later klinkt door de morgen het lugubere : « Vensters dicht ».

Met ingehouden adem beluisteren we de treurige gebeurtenis. De eerste groep der te slachten makkers trekt voorbij... In onze kamer kan, niettegenstaande het streng verbod, een medegevangene zich niet bedwingen, springt naar het blauwgemaakte venster, waar, bijna onzichtbaar, een schrammetje was gekrabd en kijkt... Een groep van acht man, met lange baarden van twintig dagen, nadert traag. Vooraan, het hoofd omhoog en een appel etend stapt Alfred Pare, dan volgt zijn broer Pierre.

Pierre ! Pierre toch !... Vaarwel ! Deze werpt een droevige afscheidsblik naar kamer 7 waar de onzichtbare broer verbleekt als een dode.

Achteraan de droeve stoet dragen de twee laatsten een makker die niet kan gaan, daar bij zijn aanhouding zijn been verbrijzeld werd door een kogel.

Een schaar gewapende soldaten omringen het groepje.

Nog tweemaal horen we het smartvolle klompengekletter van nieuwe groepjes over de straatsteenen. Dan, die benauwende stilte, en de grote zwarte vogel der dood strijkt neer over het kamp.

Met verdrietige ogen nog in 't moedeloos gebogen hoofd, marcheeren we nadien naar de vervloekte zandkarwei. Als we achter een blok de hoek omdraaien, deinzen we allen terug van ontzetting : op de ossenwagen van het kamp, liggen de kleren en bebloede klompen van onze gevallen makkers.

Geen beeld kan wranger het onherstelbaar en hopeloos heengaan van onze vrienden  voorstellen.

Geen pen kan beschrijven wat ons gemoed omwoelt.

Over de bleke zandlorren schreit oneindige verlatenheid.

Op de executieplaats aangekomen kijken we versteld naar de palen, tien in getal. Drie staan op manshoogte gans afgeschoten, twee hangen scheef doorzeefd van kogels, allen met den voet in een groten plas geronnen bloed.

Wij moeten dit alles opruimen, nieuwe palen planten, het bloed onder graven.

Worden uw lijken onteerd, wij mogen toch uw bloed begraven, uw heilig bloed, moedige, ongelukkige makkers !

  

Hoop

Einde April brengt over het kamp een nieuwe Lente en een nieuw geluid.

Spoedig doen de gekste verhalen de ronde; de beulen worden bang, de oorlog is gedaan, de geallieerden zijn geland, enz... Dit alles is uit de lucht gegrepen. Maar dat iets aan 't keren is, ondervinden we hier aan de hele doening.

We mogen nu en dan naar 't bad zonder zak over t hoofd.  Bij  't baden krijgen we geen slaag meer, op de W.C. hebben we vijf minuten tijd, en o, wonder, we fluisteren onder elkaar zonder dat de SS mannen reageeren.

Niemand begrijpt er wat van. Vooral niet als onverwachts de oberluitenant verschijnt, Debot aantreft terwijl hij een gevangene aan 't afranselen is, er hem van geeft: « Stuurman, dat slagen wil ik niet meer zien, dat moet gedaan zijn. Ik wil dat gevangenen menselijk behandeld worden ».

Als klapdeuren vallen onze monden open van verbazing.

Wat, geen slagen meer ! Maar dit is dan voorzeker het einde !

Ontembaar zwelt de hoop in onze harten. De vreugde lacht uit alle ogen.

Geen slagen meer... Wie sprak dat genadige woord ? Alles zingt ons die zalige boodschap voor : De rythmise gang der schuppen, die ineens veel minder wegen, de piepende kipkarren op de rails, de warrelende wind over de vlakte, 't jubelt het alles uit: geen slagen meer... het einde is dus nabij ! Als nu de wereld maar blijft bestaan !

Maar onze blijdschap is nog wat voorbarig. Nauwelijks heeft de meester zijn rug gedraaid of Weis en Debot delen opnieuw klappen uit.

Die wolven in mensenvel kunnen zo maar niet hun wreedheden op stel en stond afleren.

In de kamer wordt het een uitbundige bespreking van dit ongelooflijk nieuws. Men grijpt elkaar bij de schouders zeggende : zeg vriend, 't is bijna gedaan, de beulen mogen geen beulen meer zijn!

« Ik wed, zegt Pardon, onverpoosd, dat we met Sinxen thuis zijn ! »

Willy, een vrolijke Brusselaar, doch onovertrefbare bluffer, komt juichend de kamer binnengestormd met in zijn armen 12 grote brooden : « Kijk, hier mannen, we krijgen vanaf vandaag 500 gr. brood en 30 gr. boter! »

Diepe stilte ! Zoveel emotie ineens is te veel.

« Is het wel waar, Willy ? Is het zeker waar ? Indien ge ons weer wat wijs maakt wordt ge geradbraakt ! »

« Ik wil hier nooit meer weggaan als ik lieg », roept hij overtuigd. « En meer nog », vervolgt hij fluisterend : « Ik heb in de keuken vernomen dat het spel hier uit is, we moeten hier binnen enkele dagen weg, waarheen weet ik niet, maar laat mij maar voort naar de keuken gaan en ik zal nog wel achter ander nieuws geraken ».

De keuken is het nieuwsbureau van het kamp.

Albert, een kleermaker van het kamp, treedt de kamer binnen en bevestigt het nieuws.

« Ziet ge 't nu », triomfeert Willy, « jullie denkt dat ik altijd lieg ! »

Hj wordt vastgegrepen en een paar maal in de hoogte gestoken.

« Bravo Willy, gij zijt de beste leugenaar van Breendonk! »

Ieder bekomt een vierde brood. We bekijken het met begerige oogen, en wikken het met de hand vooraleer we het in stukken snijden.

Die dag wordt er gefeest in Breendonk !

* * *

Eén droeve dag,  helaas,  moest die vreugde en die hoop nog vergallen. Een allerlaatste maal nog zouden we met wanhopige ogen enkele onzer kameraden volgen in hun gang naar de dood.

Emile Van Tilt, uit onze kamer 7, wordt om zeven uur 's avonds nog naar 'n verhoor geroepen. Met een glimlach op de lippen komt hij terug en zegt ons : « 't Is niet erg, hoor mannen, ik heb geen slagen gehad, en ze hebben me niet veel gevraagd ».

's Anderendaags om 6 u. zijn we aan 't eten, want nu konden we een behoorlijke portie overhouden voor 's morgens.

Eensklaps wordt de deur opengesmeten en de Buldog met zijn gevreesde papieren in de hand schreeuwt zijn onheilspellend bevel naar binnen : N° zoveel... heraus !

Niet vermoedende dat hij naar de dood stapt, laat Emile kalm zijn boterham liggen en verlaat kauwend nog de kamer.

Een bang voorgevoel overvalt ons... « De smeerlappen ! » breekt het bij Rik Leempoels uit. « Ze gaan voort met ons af te slachten. Kijk, daar gaan er nog twee ».

Voorbij het venster, worden kameraad Morren van Leuven en enige andere makkers opgeleid.

Verscheurd door de honger nochtans, laten we ons brood onaangeroerd liggen. We kunnen geen hap meer inslikken...

'n Doffe knal weergalmt... Ons hart scheurt. De laatste slachtoffers van Breendonk zijn gevallen.

Arme jongens, dat toch het noodlot U niet enkele uren langer beschermde !
Drie dagen later overvalt ons weer een intense vreugde.
Om 6 u. 's avond als we willen gaan eten worden we geroepen om te gaan arbeiden.
Wat staat ons nu weer te wachten ?
Benieuwd schrijden we zwijgend de koer over, de hoek om naar de palen der dood.
Rond de oberluitenant zwoegen koortsachtig een ploeg arbeiders.
Wij verstijven van verbazing!

Meer dan de helft der martelpalen liggen reeds omver. Ook de haag van rijshout, die deze gruwelijke plaats aan het zicht onttrekt, ligt reeds om.

Op een wenk bestormen we met bonzend hart de laatsten rest van zoveel smart en ellende.

Naast mij staat toevallig een kameraad van Bertem, bleek, bezweet, onkennelijk van het stof, hijgend en snakkend naar adem.

« Wat hebt ge toch Rik ? Wat betekent dat nu allemaal ? »

« Zwijg stil,  man.  Die tweede paal daar heb ikzelf geplant, met de vaste overtuiging dat hij voor mezelf was, want 't was mijn beurt, daar viel niet aan te twijfelen ». Met de razernij van iemand die zijn eigen dood verjaagd, heeft hij hem nu heel alleen neergehaald.

We zwoegen allen met hardnekkigheid. Geen slagen, geen scheldwoorden meer.

De aarden wal, achter de palen, die de kogels moest opvangen wordt in looppas weggevoerd. We zouden gevochten hebben om een kruiwagen te bemachtigen.

Op enkele minuten is alles met de grond gelijk gemaakt.

We kunnen nu gerust zijn.

De oberluitenant zelf zegt dat de laatste doden gevallen zijn.

Met opeengeklemde lippen staan Weis en Debot ons aan te staren.  Ze kunnen hun spijt niet  verkroppen.

Ingetogen, als waren we aan de dood ontsnapt, keren we terug naar de kamer. Hier wachten ons nieuwe orders : de kentekens, de rode T, die terrorist beduidt, de rode streep op witten grond, die de mannen der Witte Brigade kentekent, onze nummers, dat alles moet verdwijnen.

't Is nu toch waar !

We komen eindelijk uit de hel van Breendonk.

Velen schreien van overweldigende vreugde.

  

Uit Breendonk weg

Het is een mooie dag voor ons, die 5de Mei in 44, wanneer de poorten van Breendonk achter ons dicht slaan en we terug het leven te gemoet gaan.

Het leven te gemoet, ja, want nooit hebben we gedacht hier éénmaal uit te komen, elke dag, elk uur, elke stonde grijnsde ons de dood hier tegen, het was al lijden en verschrikking rond ons, onmenselijk lijden en onmenselijke verschrikking, zodanig dat er dagen waren geweest waarin we bijna gingen verlangen dood te gaan. En nu ligt dat oord achter ons, we staan buiten de muren van die hel, en er mag komen wat wil, nooit zal het er voor ons slechter kunnen uitzien dan het geweest is.

En daarom ook heet het « terug het leven te gemoet ! »

In de kamion welke ons naar het station te Willebroek brengt, zitten we kort op elkaar gedrongen, een armzalig hoopje uitgemergelde mannen, gebroken, geradbraakt en ziek, maar met een glimp van hoop op het afgetobd gelaat, en een hart dat vol is van ontroering, een blijde, dankbare ontroering,  waardoor velen onder ons de tranen in de ogen krijgen.

In het station geeft Weis ons een laatste herinnering uit Breendonk mee, wanneer hij bij het vertrek van het konvooi willekeurig enkele kogels dwars door de wagens zendt en een jongen daarbij aan de hand wordt gekwetst.

En dan zijn we weg, we kijken door de kleine, met prikkeldraad versperde venstertjes, naar het land dat aan ons voorbijtrekt, ons land,  en onze mensen !

We zouden zo graag daar buiten zijn, één enkele maal slechts, om een groet of een kus van de onzen, maar al wat we kunnen uitrichten, dat is een papiertje met een naam door de reten van de wagen steken en op goed geluk aan de wind of een wandelaar toevertrouwen.

Twee dagen reizen we zo, velden, dorpen en steden volgen elkaar op en dan stoppen we eindelijk in het station van het nu zo bekende kamp, van Weimar, Buchenwald.

Met hels kabaal worden we uit de stinkende wagens gejaagd, en langs een haag van SS soldaten begeleid van vervaarlijke honden, naar het kamp gebracht.

Onwillekeurig gaan onze gedachten terug naar het leven te Breendonk, en we vragen ons af, of dat hier niet een nieuwe kalvarie zal zijn.

  

Buchenwald      

Een buitenstaander zou bij een bezoek aan Buchenwald wel een rare indruk opdoen.

Stel U voor, een reusachtige menigte mannen, gekleed in de meest verschillende toonaarden; vanaf het samenraapsel van soldatenplunjes uit alle landen van Europa tot het eenvoudige gestreepte pakje van den galeiboef.

Alle rassen van mensen zijn er vertegenwoordigd; voor het merendeel Russen en Polen, en in één barak met de houten slaapbakken, drie boven elkaar, worden soms wel zes tot zeven verschillende talen gesproken.

De eerste dagen welke de Breendonkers in Buchenwald doorbrengen worden besteed aan hun kleding en hun hygiënische zuivering. Deze bestaat hieruit, dat het haar volledig wordt afgeschoren, en we een onderdompeling in een cimenten bak, gevuld met creolinewater krijgen.

Verder hebben we ons per dag soms een paar maal uit te kleden voor controle op ongedierte en worden in een tijdspanne van twee weken tot zes maal toe tegen alle mogelijke ziekten ingespoten.

De eerste dagen maak ik van ons nietsdoen gebruik om Buchenwald in ogenschouw te nemen.

Alles is er groots opgevat!

Reusachtige barakken, twee verdiepingen hoog en met ciment bekleed, hebben het uitzicht van stenen huizen, een modern ingerichte keuken met talrijk personeel zorgt voor de ongeveer 50 à 60.000 gevangenen.

Verder bevindt er zich een houtzagerij, een kinema en een hospitaal waar geneesheeren ter beschikking van de gedetineerden staan.

Het eigenaardige in dit kamp is, dat alle diensten door de gevangenen zelve worden waargenomen.

Zelden ziet men er in de dag een soldaat, de orde wordt dan ook gehandhaafd door daartoe aangestelde sectieoversten, blokcheffen en kontroleurs, onder bevel van één kampleider.

Deze mensen oefenen dus in feite de zelfden rol uit als een De Vos te Breendonk, maar ze zijn heel wat menschelijker, en mits een beetje op te letten, kan men gemakkelijk de slagen ontwijken.

Het gebeurt soms dat er onder de gevangenen meningsverschillen ontstaan, deze worden dan ook gewoonlijk onder elkaar uitgevochten, zonder dat het militair bevel zch daarin mengen komt.

Zo heb ik verschillende verraders duchtig zien afrossen, onder andere Vleugels uit Herent, welke te Breendonk zijn makkers had verraden. En ik wil hier het verrassend antwoord van een soldaat herhalen welke toevallig langs kwam en om uitleg vroeg : Hang die kerel op!... en vervolgde zijn weg. Vleugels heeft die dag geluk gehad, want later heb ik verscheidene mannen van die soort de koord aan de hals zien krijgen of doodslaan.

Ik zou nog een feitje vergeten hetwelk het vernoemen waard is. Ik had namelijk horen vertellen dat er zich in het kamp eveneens een bordeel zou bevinden waar men voor 25 mark bediend kon worden. Eerst geloofde ik daarvan natuurlijk niets, maar toen we ons op een dag moesten laten fotografeeren, kwamen we voorbij een barak, omringd van een hoge palissade. Van op een hoogte konden we nochtans over de planken heen kijken en met verwondering zagen we een drietal vrouwen in een kleinen tuin rondwandelen. Ik kan echter niet verzekeren of de gevangenen ook op dit terrein werden toegelaten.

Heel de organisatie van dit kamp baart verwondering, vooral nu dat zoveel wordt verhaald en geschreven over de gruwelen van Buchenwald.

En deze verhalen zijn juist ook. Ik sprak toevallig met een Duitser welke reeds in 1936 om zijn politieke overtuiging werd aangehouden en hier terecht kwam. Toen stond dit kamp onder de leiding der SS mannen, en elke steen, vertelde hij mij, elk stukje grond van dit 100 ha . grote kamp is gedrenkt van het bloed der slachtoffers.

Vooral in de jaren 1941 en 1942 hadden de moordpartijen hun hoogtepunt bereikt.

Geen dag ging voorbij of tientallen ongelukkigen werden willekeurig door de schildwachten van op hun uitkijkpost neergeschoten.

Zo gebeurde het dat een groep van 60 personen zich naar de soepbedeeling begaf, en vooraleer de keuken bereikt te hebben reeds tot de helft was geslonken.

Een andere maal in 1942, was de waterleiding van het kamp door een geallieerd bombardement vernield. Van herstelling geen sprake ! Vuil drinkwater bereikte toen een prijs van vijf mark per halve liter. De meeste gevangenen bezaten echter geen geld en bezweken van dorst in de brandende zon.

Wat met de Joden allemaal werd uitgevoerd, is eenvoudig ongelooflijk, vertelde hij mij.

En dit heeft geduurd tot einde 1943, toen werd de bewaking vara het kamp voor een gedeelte aan leden van de luftwaffe toevertrouwd, en hield het moorden op. Ook de levensvoorwaarden der geïnterneerden verbeterden langzamerhand. Zo krijgen de Breendonkers tegenwoordig 1 liter soep, 1 /3 brood en 30 gr. margarine daags, met afwisselend een stuk worst, confituur of platte kaas, wat overvloed betekent, vergeleken bij voorheen.

Ongelukkig duurt dit leventje niet lang voor de bewoners van Buchenwald. Dit kamp is slechts een ontvangstcentra waaruit de meesten naar andere commando's worden afgevaardigd, om er slavenwerk te gaan verrichten.

Na drie maanden keren deze groepen dan weer naar Buchenwald terug, waar degenen welke het regime min of meer hebben kunnen volhouden zich een beetje trachten op te knappen. De meesten echter, bezwijken reeds gedurende de eerste maanden bij hun werk of gaan tijdens hun rustperiode te Buchenwald ten onder, ten gevolge van de oververmoeidheid en gebrek aan voldoende voedsel.

Dit verklaart de mizerie, de levende geraamten, de duizenden ongelukkigen welke dag aan dag in dit kamp dood gaan, om daarna, zonder de minste plechtigheid in massagraven door elkaar te worden geworpen of in de ovens tot pulver verbrand.

Begin 1944 is de toestand echter ook te Buchenwald zodanig verergerd dat gedurende de laatste maanden best een vergelijking met Breendonk mag gemaakt worden.

Ik sprak na de bevrijding met Pardon Jozef, uit Linden, welke tot het einde in Buchenwald verbleef en maanden lang op een rantsoen van 180 gr. brood en een halve liter soep per dag stond. Daarbij kwamen dan nog verschillende  bombardementen soms de uitreiking van deze rantsoenen onderbreken, en werd de waterleiding verwoest.

Honderden ongelukkigen welke hun dorst met het water uit een gracht trachtten te lessen, stierven in de ijselijkste pijnen.

Eén van deze geallieerde aanvallen koste het leven aan ongeveer vijfhonderd SS mannen en ongelukkig ook aan enkele gevangenen.

Jozef zelve werd hierbij gekwetst, en na gedurende acht uur tussen de doden gelegen te hebben, redde een makker hem bij toeval van een gewissen dood in de brandovens.

Maar hoe erg de toestand te Buchenwald ook was, kon een vergelijking met de verschrikkingen van sommige andere kampen niet opgaan.

Wat zich onder anderen te Ellerich heeft afgespeeld is eenvoudig ongelooflijk.

Wanneer ik echter niet instond voor de woorden van Liboton Remy, uit Linden, welke heel de tragedie aldaar heeft meegemaakt, zou ik er hier niet het minste van reppen.

Honderden ongelukkigen bezweken te Ellerich aan honger en koude, terwijl er zich tevens een buikloop-epidemie verspreide.

Op elk uur van den dag werden de lijken uit de barakken gedragen, en het was  geen zeldzaam feit dat tijdelijk bewustelozen mede in de brandovens terecht kwamen.

Gedurende een periode liep het sterftecijfer zo hoog op, dat er sommige dagen geen brandstof genoeg meer aanwezig was om de lijken te verteren. Deze werden dan met tientallen half geroosterd, met opengebarsten buik en uitpuilende ingewanden terug uit de ovens gehaald, met teer overgoten en midden het kamp in brand gestoken.

Elke keer dit gebeurde, zochten de andere gevangenen zich zoo ver mogelijk te verwijderen om enigszins te ontsnappen aan de stank welke zich in de omgeving verspreidde.

Toen de bevrijding naderde, werd getracht de gevangenen naar een ander kamp te evacueeren.

Gedurende vijf dagen reden ze alzo, in wagens van een trein, tegen mekaar aangedrongen met 120 per wagon, doelloos rond.

Jongens werden razend of krankzinnig van honger en dorst en moesten door hun makkers in bedwang gehouden worden.

De doden konden niet verwijderd worden en in de wagons hing dan ook een verpestende geur van ontbinding.

Toen de trein eindelijk stopte, klauterde slechts een klein gedeelte van het konvooi er uit, terwijl de zieken en stervenden verder naar een onbekende bestemming werden gereden.

Toen de Amerikanen de bevrijding brachten was nog juist voor een dag voedsel aanwezig. Het bleek echter dat dit laatste rantsoen een dosis arsenicum bevatte, en dank zij de vlugge aankomst der bevriende legers, kon de dood van 60.000 gevangenen voorkomen worden.

  

Hardsungen  

Twee weken krijgen wij om ons van Breendonk te herstellen en op een dag is het dan ook onze beurt om aan de mizerie terug deel te nemen. We worden in groepjes ingedeeld, ijzerbewerkers en stielmannen blijven te Weimar in de aldaar gelegen munitiefabriek. De overigen, ik inbegrepen, worden naar het kamp van Hardzungen overgebracht, een 100 Km . verder noordwaarts.

Ons pakje is nu voor allen uniform geworden, gestreepte broek, vest zonder zakken, muts en handschoenen en als teken dat we Belg zijn, een zwarte B op roden grond boven ons stamnummer, op de borst genaaid.

Met de tierende bewakers, de razende kampleider, een onmenslijke De Vos, heeft dit kamp veel weg van Breendonk.

Met 300 zijn we ondergebracht in éénzelfde barak en slapen de eerste dagen op de grond, later in houten bakken, twee boven elkaar.

Te 4 uur stipt in de morgen worden we op fluitsignaal gewekt,  dit betekent een wedstrijd om in een minimum van tijd klaar te komen met wassen, eten en opmaken van het bed,  daarbij  telkens de nodige klappen en stampen in ontvangst nemend. Te 5 uur appel en dan naar het werk. Ik heb het geluk als vóórarbeider in een groepje opgenomen te worden,  dat buiten het kamp een schuilplaats in een heuvel te graven heeft.

Vóórarbeider, dat betekent dat ik de leiding van het groepje krijg, zelve niet moet werken, en buitendien bij de soepbedeeling op dubbel rantsoen kan rekenen. Deze heeft telkens 's middags, tussen 12 en 13 1/2 uur plaats. Daarna moeten we terug aan 't werk tot 7 uur 's avonds, zodat we 12 uur arbeiden op het rantsoen van 1 liter soep. En dan heeft ons groepje nog niet te klagen, want de baas laat ons met rust, wat in andere commando's niet het geval is, en de zwepen maar al te dikwijls op de ruggen neerkomen.

Immers, de werken worden steeds toevertrouwd aan ondernemers en hoe vlugger deze klaar komen, hoe groter de winst voor hen.

Ge kunt begrijpen hoe zulke dagen van labeur, van dwangarbeid en gebrek aan voldoende voedsel ons organisme ondermijnen en reeds na enkele dagen jongens onder ons bezwijken. Slechts de sterkste naturen en vooral degenen welke een voldoende morele kracht in zich weten te bewaren, kunnen alhier aan de greep van de dood ontsnappen.

Te 19 uur 's avonds worden we naar het kamp teruggebracht, waar we na het appel, zo gauw mogelijk de houten latten opzoeken, ofwel bij middel van een sigaret wat voedsel of andere nodige zaken trachten om te ruilen. Want tabak dat is het enige middel om wat vast te  krijgen. Vooral  de  Russen zouden zich voor een paar sigaretten laten hangen, en het gebeurt dan ook soms, dat ik van het ons om de 14 dagen toegekende rantsoen wat uitspaar, om met hen voor nuttiger zaken te ruilen.  En zo verloopen de  dagen, de een na de andere, met dit verschil dat elke avond bij de terugkeer in het kamp enige jongens meer op de verzameling ontbreken. Uitgeput werden ze naar de ziekenbarak  gebracht, of wanneer  de  dood hun lot bezegeld, naar Dora gevoerd om verbrand te worden.

  

Voorbereiding tot de Vlucht

Sinds mijn aankomst in Hardsungen wortelt zich in mij het idee vast dat hier misschien de langverbeide gelegenheid tot ontsnappen zal opduiken.

Op het eerste zicht lijkt het wel een onmogelijkheid, maar het feit dat ik gedurende het werk, alhoewel onder toezicht van soldaten met geladen geweer, buiten het kamp verblijf, doet die gedachte steeds veld winnen.

Ik weet dat een mislukking het einde betekent.

Meer dan eens heb ik de gelegenheid mij hiervan te overtuigen, want onder de Russen is de drang naar vrijheid zo sterk, dat ze, bij de minste gelegenheid het op een looen trachten te zetten.

Zo'n poging is bij hen dan ook niet het minste voorbereid, het is meer een drang die hen als het ware het hoofd doet verliezen. Ze worden dan ook meestal na een paar uur door de daarvoor afgerichte bloedhonden ontdekt, en zonder medelijden opgehangen of doodgeslagen.

Zekere dag, ondervind ik bij toeval dat mijn werkmakker Jos Goovaerts ook sterk aan ontvluchting denkt.

Van dan af is mijn besluit genomen, met ons twee, zal het er op of er onder gaan.

Jos komt uit de gevangenis van de Begijnenstraat te Antwerpen.

Hij weet dus niets van onze poging te Breendonk. Ik vind het geraadzaam hem hiervan op de hoogte te brengen, deels om hem te. laten inzien wat een mislukking zou betekenen, maar vooral om de noodzakelijkheid er geen andere makkers in te brengen, en alzo verklikking te voorkomen.

Op voorhand een vast plan opstellen is niet te doen, wel kunnen we er ons op voorbereiden en sommige factoren beinvloeden, maar voor de rest hangt alles af van de omstandigheden, en blijft het steeds wachten naar het geschikte ogenblik.

Met de schildwachten begin ik alvast goed maatje te spelen. Jammer genoeg worden deze echter meestal iedere dag vervangen, dit om geen intimiteit tusschen hen en de gevangenen te laten ontstaan. Maar mijn pogingen brengen toch wat op en langzamerhand vermindert hun argwaan.

Bij de aankomst op 't werk, voer ik daartoe bijna dagelijks volgend gesprek : « Voorarbeider ! » « Jawel,  heer Postel ». « Zijt gij allen Belgen ? » « Ja, heer Póstel ».

« Waarom zijt ge hier ? »

« Ik had een propagandablaadje der Engelschen gevonden, Heer Postel, toen ik het wou lezen, werd ik door de Gestapo aangehouden ».

« Arme man, die verduivelde krieg. U zijt dus geen terrorist ? »

» En de anderen ? »

« O, dat zijn allen goede lieden, die maar voor een kleinigheid gestraft werden. De echte terroristen worden immers in België aanstonds neergeschoten ».

« Ja, dat heb ik hier in de dagbladen reeds gelezen ».

« Zijn er geen in uw ploeg die er aan denken te vluchten ?. »

« Vluchten ? Waarheen ? Naar huis ? Ach Heer, dat is toch onmogelijk ! »

« Hoever zijn we hier van de grens ? 600- 800 Km . ? En dan, veronderstel dat we tot aan de grens geraken, of zelfs tot in België. Dan worden we toch weer gesnapt en doodgeschoten ! »

« Nu, gelukkig dat ge dat verstaat, die verdomde Russen gaan steeds maar lopen. Ze komen nooit ver en dan worden de meesten opgehangen of doodgeschoten ».

« De Belgen zijn niet zo gek, Heer Postel, de oorlog blijft immers toch niet duren, en eens mogen we toch weer naar huis ».

Deze gesprekken vormen een eerste stap in de richting van ons doel. Daarbij komt nog dat de Zomer is ingetreden, en de gewassen in de velden reeds genoeg zijn gegroeid om een eerste dekking te bieden.

Blijven nu nog te bemachtigen, die enkele, onontbeerlijke kleinigheden zoals stekjes, scheerapparaat en mesjes. Door de vergeetachtigheid van een schildwacht, wiens doosje lucifers ik leen voor het aansteken van een lamp, komen we reeds in het bezit van het eerste, scheerapparaat en zeep leenen wij ongevraagd van een makker. En wat het laatste betreft, biedt het toeval ons een hand, wanneer een bewaker bij het ledigen van zijn tas, enkele  door roest  aangetaste  mesjes  wegwerpt.

Dit alles komt terecht m een daarvoor van een handdoek gemaakt zakje en wordt op een gegeven plaats gestopt.

En nu is de tijd gekomen, dat we het wagen moeten, een laatste nacht in 't kamp, een laatste overzicht van de omstandigheden.

Morgen zal het gebeuren, en dan, op hoop van zegen !

  

Uit het kamp ontsnapt

Wanneer de dag in de lucht komt, liggen Jos en ik reeds lang met de ogen geopend en zijn onze lippen droog van de spanning, de zenuwen en de gedachten die woelen in ons brein.

Wat duren die uren vóór het werk ! En als wou men ons daarbij de laatste keer  afschrikken, slepen de wachters een vluchteling met stukgeslagen aangezicht vóór de kolonne en knopen hem rechtstreeks op.

Ik voel een huivering langs mijn rug omhoog kruipen en alle bloed trekt weg uit het aangezicht van mijn makker. En toch geven we niet af!

De geleiders van ons groepje zijn twee jonge onderofficiertjes, welke met hun revolver slechts op korte afstand kunnen treffen.

Het eerste uur gaat door, een tweede, de hele morgen, en nog krijgen we niet één kans.

En dan, eindelijk, trekt een van de wakers zich terug in de gang. Onmiddellijk verwittig ik mijn maat dat hij een grote behoefte moet simuleeren. Een ander voorwendsel brengt me eveneens naar buiten.

Ik speur een stonde rond en in één sprong ben ik bij Jos.

Verduiveld, die heeft nu werkelijk zijn broek afgedaan!

Nu rukt hij deze vlug op en in één adem gaat het de velden door.

De ontroering heeft mijn maat echter te pakken en hijgend roept hij me toe alleen door te lopen. Maar zó niet, allebei, of geen! Ik grijp hem bij de hand en minder snel gaat het voort tot we het bos bereiken. Goddank, het kritieke ogenblik is voorbij. De spanning is gebroken en de reactie brengt ons de tranen in de ogen.

Langer dan vijf minuutjes durven we niet verpozen en we trekken verder, de afstand zoveel mogelijk vergrotend tusschen het vervloekte kamp en ons.

Aan de boord van een baan zijn we bijna gesnapt! Een kamion met gevangenen rolt voorbij en duidelijk herkennen we een kampoverste van het slag van De Vos. Dat scheelde hem niet veel!

Even verder worden we door een herder opgemerkt, maar alhoewel erg verzwakt, houden we er een goed tempo in, en moet hij de achtervolging opgeven.

Misschien doen we er best aan ons tot de avond schuil te houden, temeer daar vlak vóór ons een dorpje ligt.

Wanneer dan de nacht is ingevallen, glijden we als donkere schimmen, blootvoets langs de huizen, waarin hier en daar een lichtje pinkelt.

De honger knaagt in ons. We sluipen behoedzaam naar de stallen van een afgelegen hoeve, en achter een deurtje hoor ik het gefrazel van jonge ganzen. Behoedzaam druk ik tegen de deur, gelukkig, deze begeeft en de beestjes komen piepend naar voor gewaggeld. Bij het licht van een stekje bemerk ik in de diepte hennen slapend op een soort zoldertje. Nu, hennen zijn toch beter voor de soep dan ganzen ! Gauw de ladder op, voorzichtig een beestje de nek omgedraaid, een tweede, verduiveld, de derde weet te ontsnappen en in een oogwenk is het een kabaal van belang. Met één sprong ben ik beneden, en met Jos achter mij aan vluchten we dwars door de velden tot de adem ons begeeft en we hijgend neervallen. Was me dat schrikken, stoot Jos er eindelijk uit, dat ge toch niet wat voorzichtiger kunt zijn ! Het is nog niets Jos, het bijzonderste hebben wij toch, de twee hennen ! Ja, maar ge moet ze in 't vervolg... en hij dist mij daarop een heleboel raadgevingen op, welke me bij een volgende gelegenheid moeten behoeden ! Dat hij het echter beter kon vertellen dan uitvoeren, zou ik later meermaals ondervinden !

Tegen de morgen bemachtigen we een melkkruik en na in een tuintje wat groenten geplukt te hebben, houden we halt in een tamelijk groot bos, bij een snelvlietend beekje.

Terwijl ik me bezig houd met onze diertjes van hun pluimen te ontdoen, en de groenten met mijn lepelmes schoonmaak, verzamelt Jos een hoop droog hout en legt een knappend vuurtje aan. De kruik wordt met water gevuld, hennen en groenten daarbij en het heele boeltje wordt met een ijzerdraad aan een boomtak boven het vuur opgehangen.  En nu maar stoken!

Jos heeft zich behaaglijk bij het vuur gezet en koestert met een afwezige blik zijn door de ochtendkilte verstijfde leden.

Ga nog eens wat hout halen, Jos, want die soep moet zeker drie uur koken, en ik heb er bijna geen meer.

Wablieft zegt Jos, drie uur koken... nog zolang, en ik heb nu al zo 'n honger.

Ja, man, zulke soep moet lang koken, anders... ja, waarom weet ik eigenlijk ook niet! Ik herinner mij dat van mijn moeder en die had altijd zo 'n lekkere soep.

Ze begint anders al goed te rieken, vind Jos, terwijl hij met een stokje in de pruttelende soep roert.

Hij gaat dan voort hout sprokkelen en alleen bij het vuurtje denk ik over onze toestand na. We zijn nu vrij, maar zullen we ooit ons geliefd landje bereiken, we bezitten eigenlijk niets, eten, klederen, schoenen, het moet al onderwege gestolen worden, zullen we het kunnen volhouden zonder terug in de handen der beulen te vallen ? Enfin, toch maar doorzetten, moeilijkheden zijn er om overwonnen te worden!

Jos komt terug en na een tijdje is ons morgenmaal klaar. We ontfermen ons beiden over een mals kippetje, spelen de soep naar binnen, en voor den eerste keer goed verzadigd, leggen we ons in het mals gras tussen de struiken, en rusten uit van de moeheid en de ontbering die gedurende de vele maanden in ons lijf gekropen is.

    

Op gevaarlijke Wegen

Zo trekken we van de avond tot de morgen in de richting waar de zon naar de kim neigt en ons landje ligt.

Het weder is veranderd en een gestadige motregen doordringt ons lichte boevenpakje, en doet ons huiveren van de koude.

Daarbij worden we op een gegeven ogenblik door een boschwachter gevolgd, maar de invallende duisternis onttrekt ons spoedig aan het oog.

Weer moeten we zorgen voor proviand, en onze keus valt ditmaal op een villa, nabij een spoorbaan gelegen.

Onder het daverend geluid van een voorbijstormende trein, sla ik de ruit van het keldervenster stuk en werk me dan naar binnen.

De Duitser die hier woont, heeft voorzeker zijn voorzorgen genomen. Honderden doosjes ingelegd vlees en fruit liggen opgestapeld, daarbij twee kassen wijn en een reusachtige hoop aardappelen.

Twee zakken van zijn voorraad alsmede vier flessen gaan de weg naar boven, en beladen als muilezels slaan we met de eerste schemering ons bivak terug in een bosje op.

Tot heden valt alles mede, maar de vierden dag stellen we vast dat we al die tijd steeds in een cirkel hebben gemarcheerd, en we ons nog steeds op 16 km . van het kamp bevinden.

Het is een wonder dat de bloedhonden ons niet op het spoor zijn geraakt. Weer kruipt de angst in ons en de volgende dagen maken we de rustpozen zoo klein mogelijk.

Onze voorraad sluikt echter zienderoogen, en we zijn genoodzaakt een nieuw bezoek aan een pachthof te brengen. Daarbij moeten we kost wat kost aan kleergoed komen, want ons gestreept boevenpakje is geen aanbeveling !

Omstreeks middernacht, kleffer ik langs de schouders van Jos om, door een openstaand schuifraampje en kom in een lange, breden gang terecht.

Terwijl mijn zenuwen tot het uiterste gespannen staan, voel ik het kloppen van mijn hart. Ik verman me echter, en langzaam, voetje voor voetje schuifel ik tot aan een eerste deur waardoor de regelmatige ademhaling van slapende mensen tot mij komt. Dan druk ik de klink van een tweede zachtjes naar omhoog, en bij het licht van een stekje tekent zich een kast, een tafel en een paar stoelen af.

Lieve hemel, brood en nog brood !

Mijn zakje is weldra gevuld. In der haast scharrel ik nog een schaaltje boter en een bakje zout mede en keer dan gauw terug, langswaar ik kwam.

Ik denk er niet aan nog verder naar kleergoed te zoeken. Mijn vriend is niet tevreden, maar het zweet nog van mijn voorhoofd vegend, weet ik veel beter wat zo'n nachtelijke tocht reeds van mijn zenuwen heeft gevergd!

In het uitgaan der hoeve, hebben we echter het geluk voor elk een werkmanskiel en een broek te bemachtigen.

In een oogwenk spelen we ons pakje uit, laten het verdwijnen, en na nog een fiets onder een afdakje te hebben uitgehaald, gaat de tocht naar het Westen veel vlugger en met een veiliger gevoelen vooruit.

Zo bereiken we zonder verdere noemenswaardige avonturen de autostrade Hamburg-Frankfurt, 56 km . van Kassel en tevens de eerste aanduiding voor de rechten weg !

   

Tot aan den Rijn

Naarmate we naar het Westen vorderen, worden de patroeljes talrijker, en moeten we meer dan eens in kanten of hagen wegduiken.

Nu rusten we aan de boord van een bos en wachten de avond af.

En onverwachts staan daar opeens twee burgers voor ons. Hun nieuwsgierige blikken nemen ons op. Ze begrijpen natuurlijk aanstonds dat we ontsnapten zijn, maar na wat aarzelen vinden ze het best, voorzichtigheidshalve, hun weg verder te gaan.

Nu mogen we ons aan wat anders verwachten. En ja, nog zijn we geen honderd meter de bossen in, of daar hebben we het al!

Duidelijk komen de stemmen van een groepje mensen tot ons. Nu maar stil in de greppel blijven! Zeker oogenblik zijn de speurders zó dicht, dat we ons reeds ontdekt wanen, maar dan klinken de stemmen weer verder af, een anderen kant uit, en we halen verlicht adem.

Eens te meer heeft het lot ons behouden !

Met de avond wagen we het de weg te vervolgen, maar nog zijn we maar pas op de baan, of gestalten doemen op.  Halt...  Politzei!

Verduiveld, snel als de weerlicht stuiven we voorbij, kogels fluiten, maar de invallende duisternis maakt het richten moeilijk en weldra zijn ze dan ook het spoor bijster.

Inmiddels is het beginnen regenen, en tot overmaat van ramp, begeeft één van mijn fietsbanden. Er blijft niets anders op dan het rijwiel in de steek te laten, en nu ploeteren we beiden in de modder welke ons soms tot boven de enkels komt. Een hoeve durven we niet naderen, en we blijven schuilen onder een groepje bomen langs de weg.

De koude en de vochtigheid van de regen verkleumen echter ons lichaam zodat we genoodzaakt worden ons terug in beweging te zetten. Wanneer eindelijk de klaarte aan de einder komt, zakken we midden een bosje, moe en gebroken op de natten grond.

Om de beurt wakend brengen we de dag door, om bij valavond terug te vertrekken. Onderwege, bemachtig ik een nieuwe fiets en gaat het vlugger tot we in het stadje Siegen terug met de politie in aanraking komen. Weer fluiten de kogels om de oren, een ingeslagen straatje bezweert echter weldra het gevaar en we maken dat we gauw terug in vlakke veld komen.

Eens te meer stelt zich nu het vraagstuk van de mondvoorraad.

Na enig beraad stoppen we aan een alleenstaand huis en langs den kelder dringen we binnen.

Op het gelijkvloers komen we in een breden gang en om desnoods een snellen aftocht mogelijk te maken open ik wagenwijd de voordeur.

Jos blijft me dan buiten met de fiets opwachten. Zoals gewoonlijk schuifel ik voetje voor voetje, alle voorwerpen op mijn weg voorzichtig betastend, de eerste kamer binnen.

Honderd duivels ! Daar raakt mijn hand het hoofd van een persoon, deze veert recht en in mijn vaart om weg te komen, rol ik van de trappen van het terras tot voor de voeten van mijn maat. In één sprong de fiets op en weg!

Wat een avontuur, in plaats van de keuken had ik de slaapkamer betreden !

Maar met dit alles zijn we niet verder, en bij het laatste huisje van een dorp, wordt dezelfde methode gebruikt, maar nu is de beurt aan Jos. Hij wringt zijn lang, mager lijf door het keldergat en het duurt niet lang of achtereenvolgens komen een emmer geschilde aardappels, een brood, een bokaal suiker, en een pak stekies in mijn zak terecht.

Wanneer Jos daarop terug verschijnt heeft hij daaren boven voor elk van ons nog een paar stevige schoenen en een hemd bij.

Zo geraken we stilaan gekleed en helemaal opgemonterd, nemen we tegen den morgen de rust in een dicht sparrenbos.

Zo volgen dagen en nachten, het ene avontuur het andere, en met 20 juni 1944, bereiken we een eerste grote mijlpaal op den weg der bevrijding, de stad Bonn, aan de Rijn !

  

In het zicht van de Haven

We staan vóór de grote brug over de Rijn, maar in ons pover werkpakje zouden we wel aan de wantrouwende wachten kunnen opvallen en dan is het uit met ons. Maar er blijft ons geen keus, hier of daar, het is overal hetzelfde en er over moeten we toch !

In de vroegen morgen rekenen we eens te meer op de voorzienigheid en volgen een groepje fietsers over de Rijn. Meer dan eens hebben mijn zenuwen het erg te verduren gehad, maar zoals heden, neen, dat zou ik geen twede keer nog willen meemaken !

Uitwendig kalm, maar met het zweet als parels op mijn voorhoofd, rijd ik voorbij de wachten; onwaarschijnlijk lang schijnt mij de afstand, en soms denk ik dat ik het niet meer houden ga, maar dan bijt ik op de tanden, en in een uiterste inspanning rijd ik voorbij den laatste post.

Op dit ogenblik rolt een auto ons voorbij, stopt enige meter na de brug en met ontzetting lees ik op het spatbord achteraan : « Politzei ». Het ergste verwachtend gebaar ik van niets, sla de richting van een zijstraatje in en nauwelijks aan 't zicht onttrokken, zetten we een razende spurt in en geraken verdoold in een warnet van steegjes.

Na een tijdje vinden we de goede richting en slaan de baan naar Eushirchen in.

Nu ligt de grens niet ver meer en op 22 Juni bereiken we dan ook de streek van Eupen.

Het is nog vroeg in de morgen en de regen valt bij stroomen neer.

In een pachthoeve vernemen we dat op het hoofd van elke vluchteling een premie van honderd mark is uitgeloofd, en de boer, welke wel wat vermoedt, waarschuwt ons voor de bewoners van de streek.

Tot met de avond blijven we op de hoeve en volgen dan de oever van de Vesder, welke ons naar de grens brengen moet.

Dit is echter gemakkelijker gezegd dan gedaan. Het is pikdonker en het regent nog steeds.

Uit schrik te verdwalen, durven we geen spet van de boord afwijken, zodat we, uitgeput door de vele hindernissen, een ogenblik blijven rusten aan een punt waar de rivier een eind de steenweg volgt. Dat is ons ongeluk!

Plots duikt een gestalte op, een zaklamp knipt aan en in de ontstane lichtbundel zie ik mijn maat rechtspringen en de baan oplopen. Bulderend roept de Duitser tot zijn makkers : « Hédaar, eruit met de honden » en zet onderwijl de achtervolging voort. Mijn angst onderdrukkend veer ik eveneens recht, vlucht de baan over, kruip door een haag, ren als een opgejaagd dier voort, kruip weer door een haag, volg een holle weg en blijf dan hijgend in een sparrenbos de gebeurtenissen afwachten.

In de verte hoor ik het woedend blaffen der honden en het kletteren van laarzen op de kasseien. En ineens flitst het door mijn brein dat dit een enige kans is, de meeste wachten zijn nu van de grens weg en zó geraak ik er misschien door.

Ik zoek terug de rivier op, laat me tot aan het midden in het ijskoude water zakken en bereik al wadend de anderen oever.

Weer volg ik de stroom en wanneer aan de einder de eerste klaarte doorbreekt, sta ik, versteven van de koude en ziek van vermoeienis, vóór de eerste huizen van het stadje Dolhain.

  

Weer t' Huis

Nu sta ik weer op eigen bodem, en hoe ellendig het ook met mij gesteld is, hoe ziek en gebroken ik ben, ik sta op eigen bodem en er is een blijheid in mij, een geluk, een heerlijk gevoel, het gevoel weer vrij te zijn en Belgisch volk rond mij te hebben.

Bij het eerste huisje waar ik aanklop wordt ik ingenomen en verzorgd.

Mensen uit het gebuurte komen me bezoeken en schudden meewarig het hoofd. Maar voor mij is het ergste voorbij, Breendonk, Buchenwald, Hardzungen, de mizerie van de laatste weken, het is alles voorbij, maar daarom niet vergeten, en ik denk ineens aan mijn makker. — Jos, jongen, dat dit juist nu nog moest gebeuren, wie weet waar ge nu zit en hoe ze U hebben toegetakeld, vergeef me dat ik in de eerste ontroering der vrijheid niet aan U dacht. Maar mocht voor U het uur der bevrijding nimmer meer slaan, dan weet ik, dat dag aan dag, jaar aan jaar, het leven door, uw beeld met dit der vele duizenden die zullen achterblijven, in mij en in het hart der weinige gelukkigen zal blijven voortleven en dat het offer van al de levens voor België niet tevergeefs zal zijn geweest.

*  *  *

Lichamelijk en moreel gesterkt verlaat ik de vriendelijke mensen uit het Waalsche dorpje en neem de richting van Verviers.

Nu is alles nog een kwestie van uren.

Trein en tram rijden niet vlug genoeg naar mijn zin, Luik, Sint-Truiden, Tienen gaan aan mij voorbij en eindelijk daar is Leuven.

Ik loop op de boulevards van mijn oude stadje, ik stap langs de door mij zo goed gekende huizenrijen; een massa herinneringen wellen in mij op. Ze bedwelmen mij.

Wanneer ik eindelijk vóór mijn ouderlijke woning sta, moet ik even verpoozen om de ontroering in mij te laten bezinken.

Nu druk ik de klink van de deur naar omhoog. In de stilte van de voorplaats gaat regelmatig den tik-tak van de zware hanghorloge.

Dan treed ik binnen en door de tussendeur die op een kier staat zie ik mijn moedertje zitten, nevens vader. Ze denken aan mij en ik sta hier, onmachtig nog één pas te doen.

En dan ineens, kijkt moeder op en staart mij een stonde aan alsof ik een droombeeld was, maar in één sprong ben ik dan binnen en sluit ze beiden in mijn armen : Mijn lief moedertje, mijn goede vader, ik ben terug!

Laat nu komen wat wil, ik ben weer thuis en bereid voor het werk dat mij wacht, het grootse werk van de strijd ter bevrijding van de jongens in ballingschap !

  

Terug in de Branding

Met vlugge schreden nadert de bevrijding !

In een uiterste poging de weerstand in het buitenland te breken doet de vijand razia op razia, en honderden jongens, schuldig of niet schuldig, gaan de weg naar Duitsland.

In de rangen der ondergrondse beweging zijn grote leemten ontstaan en wat er overblijft zit diep in de bossen gedoken en komt slechts met de avond uit. En alhoewel mijn lichaam nog de sporen uit Breendonk draagt, en van de slagen en de mizerie, hunkert mijn hart naar de kameraden welke ons werk voortgezet hebben.

Op een morgen, een tiental dagen na mijn terugkeer, trek ik er op uit en vind te Kortrijk-Dutsel één van de oude garde, Jozef Pelsmaekers.

Het weerzien tussen ons is roerend.

Ik bestorm hem met vragen omtrent de vrienden, maar de toestand is treurig. De meeste leden werden aangehouden, de onderlinge verbinding gaat niet meer zo goed.

Jozef brengt me diep in het bos bij een hutje van stro met zinken dak waar drie van de makkers huizen. Tegenwoordig staan deze onder het bevel van den bataljonchef Torn, een Antwerpenaar, en nog dezelfde dag word ik aan hem voorgesteld. Het is een sympathieke figuur, vlug en joviaal van karakter.

Door den korpscommandant F. Damand aangesteld als compagniechef, besluit ik mijn groepje weer op normaal peil te brengen en te beginnen met een nieuwe actie tegen de vijand.

Deze actie laat zich weldra in de streek voelen. Telefoonlijnen van de vijand worden verbroken, o. a. te Wilsele waar tweemaal 5 palen worden doorgezaagd, en de lijn Leuven-Mechelen gaat in éénzelfde nacht öp drie verschilende plaatsen de lucht in.

Met de dag gaat het beter : nieuwe leden worden ingelijfd; een paar van de oude garde, o. a. mijn boezemvriend Lemmens Louis die de verbinding kwijt waren, weten ons terug te vinden. Wapens en munitie worden op verschillende plaatsen in beslag genomen en de groep stijgt tot twintig leden. De berichten inzake de naderbij rukkende geallieerde legers maken ons driester en driester, en de vijand, maar vooral de plaatselijke collaborateurs hebben meer dan ooit de angst op het lijf.

En dan komt, vroeger dan we verwacht hadden, de blijde tijding dat Engelse troepen Leuven hebben bereikt.

In der haast verzamelen de verschillende compagnies zich te Linden, en met honderd en zeventig man rukken we langs de Mechelse poort de stad binnen.

We komen echter te laat en enkel op de Diestse Vest en te Blauwput worden nog schoten gewisseld en krijgsgevangenen gemaakt.    .

Anders gaat het te Langerbrugge, bij Gent, waar we door de hogere legerleiding naartoe worden gestuurd.

Alhier ontstaan bloedige gevechten bij het opruimen van plaatselijke weerstandsnesten.

Achter een pachthoeve hebben de Duitsers zich verschanst. Met veertig man, gewapend met mitrailletten ons door een Engelse officier geschonken, vallen we de vijand aan.

Doch deze blijkt veel sterker in aantal en bewapening dan we dachten. Een makker wordt zwaar gewond en we zijn verplicht 100 m . te wijken tot achter een lage muur. Hier houden we stand tot twee compagnieën Poolse vrienden ons komen helpen. Nu geeft een gedeelte der Duitsers zich over, de anderen trekken zich ijlings terug. We stormen vooruit en vinden 18 doden en gekwetsten op het slagveld.

Acht dagen later trekken we terug naar huis in het bewustzijn toch iets aan de bevrijding van ons land te hebben bijgedragen.

Nu nog de vesting Duitsland en de terugkeer van onze makkers uit ballingschap.

  

Na de Bevrijding

En de vesting Duitsland is gevallen ! Met ontzetting hebben de geallieerden de gruwelkampen over de Rijn ontdekt. En waar ze eens aan de echtheid van de verhalen over Breendonk twijfelden, hebben ze kunnen vaststellen dat deze verhalen soms verre beneden de werkelijkheid bleven.

Wij willen niet herhalen wat sinds geruime tijd in de kranten is geschreven over de tragedieën welke zich hebben afgespeeld, het barbaarsche peil waarop de geest der nazi-honden was geschoeid, wij zien alleen maar de enkele mannen en vrouwen uit onze omgeving welke het geluk hadden nog levend terug te keren, en wij wachten tevergeefs op de anderen, terwijl af en toe een officieel bericht de dood van een onder hen bevestigt.

In afwachting en met de hoop dat velen nog uit de ballingschap mogen terugkeren, brengen wij hulde aan de jongens uit Breendonk, waarvan de namen reeds op een kruisje staan gegrift. De lijst hiervan is echter zo lang dat wij ons beperken tot dezen van de jongens uit de streek van Leuven en omliggende.

   

Gefusiljeerden

 

 

Gefusiljeerd op

        

Nijsen François

Leuven

10-12-1942

Seymens Edward

id.

id.

Haesaerts Eugène

id.

10-2-1944

Boets Nicolas

id.

28-2-1944

Boets Henri

id.

id.

Hollanders Maurice

id.

id.

Boelens Jan-Baptist

id.

id.

Decoster Pieter

id.

id.

Auteveld  Edmond

id.

2-3-1944

Bollens Guillaume

id.

id.

Van Hove  Emmanuel

id.

id.

Boghe Mathieu

Herent

id.

Evers René

id.

id.

Jourand  Gaston

Bertem

id.

Jourand Emile

id.

id.

Dottermans Frans

id.

id.

Blanchard Albert

Kessel-Loo

id.

Peeters Jozef

id.

id.

Jacobs Victor

Leuven

7-3-1944

Vertongen Edward

Linden

id.

Regent Désiré

id.

id.

Baplu Romain

Leuven

id.

Dewolf Louis

id.

id.

Costermans Désiré

id.

id.

Renis Pieter

id.

id.

Simon Jean

id.

id.

Morren Gustaaf

id.

26-4-1944

Boets Frangois

id.

id.

Smets Antoine

id.

id.

Vander Elst

Herent

id.

Aerts Guillaume-Frans

id.

id.

Van Tilt Emile

Holsbeek

id.

Van Tilt Jacques

id.

id.

Dierickx René

Kersbeek-Miskom

id.
De Keuster Frans Herent  
overleden ten gevolge van mishandeling op 16-3-1944
  

Genoemd

Aerts 1, 2
Autevelds Edmond 1, 2
Biront Alfons
Blum
De Coster Roger
Damand Jaak 1, 2, 3
Demarsin Jozef 1, 2, 3, 4
Doms André
Godevriend Gislain
Goovaerts
Jos 1, 2, 3, 4, 5, 6
Harmonika Jozef
Igo Edouard 1, 2, 3, 4
Joostens Jozef 1, 2
Knikker
Leempoels Henri 1, 2, 3, 4
Lemmens Louié 1, 2
Liboton Remy
Mars
Mathijs Emile
Merx Jules
Morissens
Morren
Pardon Jef 1, 2, 3, 4, 5, 6, 7
Pare Alfred 1, 2, 3
Pare Pierre
Peeters Jozef
Pelsmaekers Jozef
Philipaerts
Regent Désiré
Reniers Pierre
Schrevers Joseph
Smets Sylvain 1, 2, 3
Torn
Van Aerschot Staf 1, 2, 3, 4
Vandera Marcel
Vandevenne Jef 1, 2
Van Geertruiden Isodoor
Vanlangendonck Emile
Vanschoenland 1, 2
Van Schoenland
Van Tilt Emile 1, 2, 3
Verheyden Désiré 1, 2, 3, 4, 5
Vertongen Eduard 1, 2
Vleugels 1, 2, 3, 4
Wiets (Wed)
Zander
  

 

Kampen

Leuven
Breendonk 
Buchenwald
Hartzungen