|
Als verplicht Arbeider in Dora Français |
|
|
|
Van Hoey
Albert, Als verplicht Arbeider
in Dora, |
|
Bij nazicht van mijn "voorraad" documentatie vond ik twee getuigenissen van twee Belgische "verplichte arbeiders" die aan het werk gesteld werden in en rond de "Kohnstein-Stollen" in de periode 1943-1945 Het loont wel de moeite hun getuigenis naar voren te brengen. A. De getuigenis van Louis WUYTS uit Merksem
(Antwerpen). Ze omvat 17 handgeschreven bladzijden. Ze werd ons in de
jaren '90 ter hand gesteld via onze vriend Armand Rinskopf (+17.12.94). Beide getuigenissen hebben hun waarde en ik wil dan
ook (in het kader van 60 jaar later) het essentiële ervan in dit en
volgende bulletins opnemen. |
|
Getuigenis van Louis Wuyts : |
|
Ik ben Louis WUYTS, geboren te Schoten op 16.01.23, wonende te Merksem. Twee dagen voor m'n 20ste verjaardag, op 14.01.43 kreeg ik 'n oproeping van de Duitse bezetter. Ik moest 'n omscholing tot "lasser" volgen op de Rijnkaai. Op 22 maart 1943 vertrok ik dan naar Hamburg. Ik werd tewerk gesteld bij de firma "Stulcken & Sohn". Het was 'n vrijwel normaal leven...tot Hamburg 6 dagen lang, dag en nacht, aan één stuk gebombardeerd werd. Dan begon de miserie. Na het eerste bombardement gingen we de stad in en kwamen aan de bekende Reeperbahn (St. Pauli). Maar opnieuw kwam er alarm en moesten we een bunker binnen vluchten. Als we boven kwamen konden we onze ogen niet geloven: alles lag plat. Men zei dat een vierde van Hamburg getroffen was. Daarop werden we overgedragen aan de firma "Walter Völker" en dat had als gevolg : een reis van 21 dagen (4 - 25.08.43) over Rüdersdorf (bij Berlijn) naar Niedersachswerfen, nabij Nordhausen. Op dat moment was er nog geen Dora-kamp, maar was er wel het zgn. "Tank-Lager Kohnstein" (nota: de opslagplaats voor benzine en oliën voor de Duitse legers). En hier begint mijn eigenlijk Dora-verhaal: van 25.08.43 tot 11.04.45. Onze eerste werkdag startte op 26.08.43: de kennismaking met de Stollen. Ik werd tewerkgesteld als lasser bij de aanleg van de waterleiding...te beginnen met die in de tunnels. Op 28.08.43 kwamen dan de eerste gevangenen,
vergezeld van enkele SS-ers. De gevangenen moesten in de tunnel slapen,
terwijl de SS-ers in tenten sliepen die buiten opgesteld stonden. Voor de
SS werd dan onmiddellijk gestart met de opbouw van enkele barakken aan de
voet van de berg...zij het nog zonder watervoorziening. Want eerst moest
dat afgewerkt worden in de tunnels, Daarna zagen we dagelijks nieuwe
gevangenen aankomen. Toen ons werk in de tunnels klaar was, mochten we er
niet meer in . Meteen begonnen we dan met het aanleggen van de
hoofdleiding vanuit het pompstation dat zich ongeveer Het kamp stond nu vol barakken met eromheen 'n prikkeldraad. Later kwam die onder hoogspanning te staan. Ook werden er uitkijktorens voor de SS-bewakers opgericht. Voor ons was contact met de gevangenen verboden. Toch zouden we elke gelegenheid te baat nemen om ongezien contact op te nemen Vermits we dagelijks 'n 100-tal gevangenen nodig hadden om de grachten te graven en de buizen aan te brengen moesten we wel met hen omgaan. Als lasser moest ik elke morgen aan de" Kapo" of "Vorabeiter" melden hoeveel ik er die dag nodig had. Om één buis van 12m. lang te dragen moesten er wel 30 man onder en voor 'n fles zuurstof waren 6 man nodig. Aanvankelijk bespeurden we nog geen V-wapens; die kwamen enkele weken later. Wat we allemaal gezien hebben moet voor de "buitenwereld" ongeloofwaardig overkomen Aanvankelijk lagen er maar 'n paar lijken, maar dag na dag werd het erger tot we er later omheen...en zelfs overheen moesten stappen. Iets wat bijna dagelijks gebeurde (meestal bij de tunnelingang) waren de 25 stokslagen: de SS-er hield de gevangene tussen de benen, liet de broek neerlaten en de forse SS-er nam het blote, strakgepannen achterwerk als mikpunt... met alle gevolgen vandien. En dan waren er die dagelijks appèls op de "Appelplatz", winter en zomer, soms urenlang. Degenen die niet te been bleven waren meestal ten dode opgeschreven...en verhuisden naar het plat dodenwagentje. Aanvankelijk kwamen vrachtwagens de lijken ophalen voor het Buchenwald-crematorium, maar na enige tijd kreeg Dora zelf zijn verbrandingsoven. Het laden van de lijken op de camions was afschuwelijk: soms 5 of 6 per dag. Naast de "Appelplatz" was er 'n overdekte "Latrine" (open WC). Het gebeurde dat gestrafte gevangenen er zeer lang met gehevenn armen op het dak moesten staan, midden de ondragelijke stank. Ook 't ophangen van gevangenen gebeurde ten aanschouwe van medegevangenen, tijden het appèl. Elk appèl duurde zolang tot 'n 20-tal SS-ers, vergezeld van honden, alles geteld en gecontroleerd hadden. Zelfs 'n oude emmer die op z'n kop stond werd weggeschopt om te zien of er geen gevangene onderzat...die eronder 'n put gegraven had om verse lucht te happen. Elke ontsnapte gevangene die gepakt werd en het overleefde kreeg 'n rode cirkel op de rug van zijn jas...als schiet-schijf. Taferelen om er bij te huilen. Maar we konden of durfden niet reageren. Het was winter en spiegelglad. Een groep gevangenen moest soep ophalen. Twee van hen die de grote ketel droegen gleden uit. De soep vloeide uit op de bodem. Als mussen vlogen meerdere gevangenen er op af: scheppend met 'n lepel of met de hand, of zelfs likkend op de grond trachtten ze ervan te eten. Maar de SS kwam er op af en ze sloegen met de geweerkolven in het rond. Toch bleven de gevangenen verderdoen. Honger maakte hen gevoelloos. Op 'n dag was ik onderaan de gracht aan het lassen. Er werd geroepen en ik zag doorheen m'n lasbril 'n SS-bewaker staan met 'n glas en 'n fles "Schnaps". hij vroeg of ik ook 'n borrel lustte. Ik betrouwde het niet en weifelde. Toen hij dat zag zei hij dat ik niet bang moest zijn. Toen nam ik er een...en nog een...en nog een, maar toen draaide alles voor m'n ogen. Ik was blijkbaar dronken, het is ook gebeurd dat 'n Kapo met z'n ploeg voor ons moest werken. Hij had ' n Keteltje bij met "thee-rum". Al zingend zijn we "huiswaarts" teruggekeerd. Eens was de hoofdleiding en de hoofdkraan opengedraaid. Het water stroomde tot waa de waterleiding zich spreidde naar drie hoofdkranen in een gemetste put met 'n deksel. Plots zagen we het water uit de put spuiten. Vlug werd de eerste kraan dichtgedraaid. 't was winter en het water was ijskoud. "Meister" Bergstedt vroeg wie wilde afdalen om de kraan te sluiten, maar niemand reageerde. Daarop beloofde hij 1 dag vrijaf ... dan 2 ...dan 3 ... dan 4. Jan van Kempen (Nl) werd bereid gevonden. Poedelnaakt daalde hij af en sloot de kraan. Als het water was weggezakt zagen we wat er gebeurd was. De randkragen rond de buizen waren niet vast aangeschroefd." In ons vorig Bulletin '05-3 brachten we de getuigenis van Louis Wuyts uit Merksem, die als "verplichte arbeider in Niedersachswerfen verbleef en als "lasser tewerk gesteld in en rond de "Stollen" van Dora. - Hierbij volgt het 2de deel van zijn getuigenis (Albert van Hoey) "Op 'n morgen wilden we ons "Lager verlaten om naar 't werk te gaan. Hiervoor moesten we 20 minuten stappen. Maar ditmaal stonden bij de uitgang enkele SS-ers en ook de "Lagerführer" opgesteld. We moesten allen ons "Ausweis" (identiteitsbewijs) laten zien. Degenen die in hun boek stonden aangetekend moesten blijven staan, terwijl de anderen verder mochten naar hun werk. Een paar uren later zagen we onze makkers terug : gladgeschoren hoofd en aangekleed met het beruchte zebra-kostuum. Het "waarom" daarvan heb ik nooit vernomen, maar ik kon het wel vermoeden. Er was 'n verbod om ook maar iets te schrijven over alles wat we daar te zien en te horen kregen. Onze brieven werden nauwkeurig gecontroleerd. Hadden zij misschien het verbod overtreden ? Toen er later toch nog brieven van hun thuis doorkwamen, stelde onze "betaalmeester" (die ons weekloon uitbetaalde) voor om die brieven naar de betrokkenen door te smokkelen. Maar hierom werd hijzelf opgepakt. Een paar maanden later heeft hij dat rnet zijn leven bekocht. Voor iets dergelijks heeft André Bultinck wel veel geluk gehad. Hij was een boerenzoon en kreeg veel pakjes met daarin ook tabak. Hij wilde 'n gevangene 'n genoegen doen, door hem wat tabak te geven. Helaas werd hij betrapt. Maar onze "Meister Bergstadt, die voordien ook tabak en andere zaken van André had gekregen, is toen tussenbeide gekomen en hem "uit de prutsen" geholpen. Tengevolge van genoemde controle kregen we toch schrik. Met éénstemmigheid besloten we toen om ons op te geven voor de "Organisation TODT". We hoopten aldus te ontsnappen aan 'n strafkamp. Dientengevolge werden we overgeplaast naar de stad Nordhausen. Maar toen ze daar ontdekten vanwaar we kwamen en wat we daar moesten doen, werden we teruggestuurd. Maar achteraf gezien : "God zij dank!". Nadien heb ik nog 'n paar keren geluk gehad. Op 'n dag was ik aan 't lassen terwijl m'n broer Henri en Jef Everaerts volgens afspraak in 't geniep aan 't rusten waren. Ik was oververmoeid en kreeg dan mijn beurt om wat te verpozen. Ik vroeg m'n makkers om goed uit te kijken. Plots kreeg ik 'n forse stomp in m'n zijde. Ik werd wakker en zag tot mijn ontzetting SS-officier Schmidt voor mij staan. - Mijn makkers waren wat aan 't stoeien geweest en hadden de komst van de SS-er niet opgemerkt. - Daarop moest ik mee naar Schmidt zijn bureau om mijn handelen te verklaren. Een ander SS-er moest dan mijn "Meister" Bergstedt er bij halen. En die kon mij gelukkig redden door aan te voeren dat ik zijn enige "lasser" was. Daarop werd ik aangsteld om aan anderen het lassen aan te leren...o.a. aan de Belgen Alfons De Zeeuw, Jef Everaerts, Jos Dierickx en Hubert Commeyns. We moesten nu heel hard doorwerken omdat 'n deel barakken vlug water moesten bekomen. Na continuwerk van 'n dag en 'n nacht en 'n ochtend tot 10u. konden we de opdracht tot 'n goed einde brengen. Toen ik nog alléén lasser was, was ik ziek. En toch wilde Bergstedt mij uit het bed halen. Ik kon echter niet meer op m'n benen staan. Daarop dreigde hij met de SS. Hij zei dat ik naar het strafkamp aan de andere kant van de berg zou gestuurd worden. Maar ik was zo ziek, dat ik zelfs niet reageerde, gelukkig bleek het slechts 'n dreigement te zijn. Drie dagen later kon ik terug aan 't werk. Ik was bijna vergeten om te vertellen dat we hiereen kwamen onder leiding van 'n zekere George. Nadien kwam er ook Bernhard bij, een goede lasser en zogezegd 'n Duitser. Maar weldra zou blijken dat dat niet klopte. Twee maanden later was Joop Maas, 'n Hollander, de Duitsers aan het uitschelden. Maar Bernhard hoorde dat en begon toen plots Nederlands te spreken . Hij waarschuwde Joop dat hij moest opletten wat hij vertelde omdat hij anders wel "Van wanten zou weten". Om dan zijn Nederlandse taal te ver klaren zei Bernhard dat zijn vrouw 'n Hollandse was. Toch vermoedde ik dat hijzelf ook de Nederlandse nationaliteit bezat. Kort daarna is hij "met verlof weggegaan. We hebben hem echter niet meer teruggezien. We hadden ook 'n Duitse meestergast met 'n houten been - Robert Schäfer. Die was wel goed en bracht ons soms eten mee. Toen zijn aardappelen geoogst moesten worden vroeg hij ons om hem daarbij te helpen Hij beloofde daarbij heel goed eten van 's morgens tot 's avonds. En hij hield ook woord 's Morgens, vanaf 7 uur kregen we al eten en ook nog te 10 uur, op 1 veld. Tegen 13u., na de middag, werd met 'n karretje warm eten gebracht en ook 's avonds was er nog brood en lekker gebak. Van 'n grote meevaller gesproken "Meister" Bergstedt was ook 'n oorlogsinvalide : één oog kwijt en 'n litteken van aan het oog tot aan de kin...'n flinke naainaad. Op 'n dag zagen we ook dat 7 Italianen, nog in soldatenuniform vlak voor het appèl werden neergeschoten. Er werd gezegd dat ze staakten omwille van de hongerrantsoenen.'t Was 'n afschrikkend voorbeeld voor anderen. Ze werden eenvoudig neergeknald. In het zicht van diezelfde appèlplaats stond ook 'n galgencomplex opgesteld, dat regelmatig dienst deed. Maar toch, als je uitgehongerd bent, ben je tot alles in staat. Zo is het ook ons gebeurd als op 'n avond een volgeladen wagon voedingswaren kwam binnengereden. Ondanks de nabijheid van de wachttorens braken we de wagon toch open. Gelukkig bood de duisternis ons enige bescherming...en kwam er geen gevolg. Soms werd "Dora" ook als doorgangslager gebruikt. Zo werden er op zekere dag ook 100 vrouwelijke gevangenen binnengebracht, vooral zigeuners uit de omgeving van Wenen. Nog vóór het appèl werden ze samengedrumd en dan omsloten door SS-ers met hun onvermijdelijke honden. En plots werden ze ook opgemerkt door mannelijke zigeuners die hier reeds langer verbleven. Er waren jongens bij die hun zuster, vrouw of verloofde herkenden. Ze begonnen te huilen en te schreeuwen en ze drongen verder in hun richting. Maar daar was geen doorkomen mogelijk en met slagen en getier werden ze teruggedreven. Die vrouwen moesten daarna gans de nacht onder bewaking buiten slapen. De volgende dag zijn ze weer vertrokken. Eén van die zigeuners heb ik 'n tijd als helper naast mij gehad. Als souvenir kreeg ik zijn portefeuille...die ik nu nog altijd bewaar. Aanvankelijk vroegen de gevangenen ons geld, waarmee ze in de "kampkantine" soms iets konden kopen. Maar toen er teveel geld in omloop kwam begon de SS-leiding zelf Lagergeld te drukken. Daardoor konden wij die sukkelaars met ons geld niet meer helpen. Onder hen was er 'n zekere Karl Horvath, samen met z'n schoonbroer Karl Vadosch. Karl vroeg mij om naar z'n ouders te schrijven met de vraag om 'n pakket met eten aan mijn adres op te sturen. Dat is gelukt en met enige moeite kon ik dat eten binnensmokkelen. Daarna vroeg hij mij om naar zijn ouders te schrijven en hen te melden dat ze schoonbroer Karl die soms buiten het kamp moest werken, op 'n bepaalde plaats konden ontmoeten. Dat trachtte ik hem echter uit z'n hoofd te praten, maar hij bleef aandringen en hij beloofde mij alles wat ik maar wilde. Zijn vader, een paardenhandelaar was een van de rijksten uit Wenen. Toch durfde ik het niet te doen, daar de brievencensuur teveel gevaar meebracht. Zo belandde ik dan in de eindfase van de oorlog en ons "Dora"-leven. Op 3 en 4 april '45 werd het nabijgelegen Nordhausen zwaar gebombardeerd. Rond die tijd was de SS begonnen met veel gevangenen in wagons weg te voeren, 'n Duitser die kort daarop in ons kamp terugkeerde vertelde ons dat de SS-ers veel gevangenen zomaar neerschoten. En zoals ik later vernam is dat ook in werkelijkheid gebeurd. Na het bombardement van 4 april gingen we Nordhausen bekijken. Op de terugweg haalden we 'n groep Duitse vluchtelingen in, die onderweg waren om in de tunnels van Dora bescherming tegen de bommen te zoeken. Onder hen was er 'n oude vrouw, met 2 grote dochters en 2 kleinkinderen : 'n jongentje van 6 en 'n meisje van 7. Zij vroegen ons om hen te begeleiden tot bij de tunnel Toen we ze later naar huis brachten beloofden ze ons goed eten. Maar toen we aan hun huis kwamen zagen ze dat alles geplunderd was, waarschijnlijk door Russen die wat verder in 'n Lager verbleven. Zelfs de kleding was meegepikt. Uit medelijden heb ik hun dan toch wat geholpen. Als dank mocht ik bij hen blijven eten. Terwijl ik aan tafel zat kwamen er 2 Amerikaanse soldaten binnen. Zij dachten dat ik 'n ontsnapte Duitser was. Daarom moest ik met hen mee naar hun "bureau", waar 'n Amerikaan en 'n Belg uit Wallonië dienst deden.Ik kende geen Frans...en kon volgens hen geen Belg zijn. Toch lukte het mij om te ontkomen en terug te keren naar ons Lager. - De dag daarop moesten we inpakken en we dachten dat we nu spoedig naar huis konden. Maar niets daarvan. We moesten verzamelen in het Dora-kamp en ...wachten, wachten ! Daar heb ik dan wat meegemaakt met Jef Everaerts. Onze meestergast, Robert Schäfer had ons gevraagd om bij hem te komen eten. Maar toen moest elke Duitser vóór 21 u. "binnen zijn". Wijzelf vertrokken na 21 u. terug naar het kamp; met z'n tweeën op de fiets van Robert. Plots: "Halt!". Twee Amerikanen hielden ons tegen en we moesten ons "Ausweis" laten zien. Daarop moesten we tegen 'n muur gaan staan en zij hielden hun geweer in de aanslag. We bibberden van angst: zouden we na onze bevrijding op zo'n manier moeten sterven ? Maar plots schoten de Amerikanen in 'n bulderende lach en deden ze teken dat we verder konden gaan. We zetten het op 'n lopen voor de 200m. die ons van het kamp scheidden. Toen we daar alles vertelden werd er ook hartelijk om gelachen...ook omdat we de fiets hadden achtergelaten. Die was foetsie! Maar nu ook 'n woordje over de beruchte V-wapens. Wat er na de bevrijding daar nog stond, gereed om vervoerd te worden, was onoverzichtelijk. We mochten niet meer in de tunnels, die nu bewaakt werden door de Amerikanen. Er schieten me nu ook nog 'n paar voorvallen te binnen die ik ook beleefde. Op 'n morgen, toen we bovenaan het kamp met ons materiaal voor de waterleiding aankwamen, zagen we plots 'n gevangene die poogde te vluchten, aan de omheining hangen, verbrand door de elektrische stroom. Maar het was ons strikt verboden om zich daar iets van aan te trekken. Ook hebben we eens moeten lachen, toen we 'n grote, zware SS-er, een dag nadat hij 25 stokslagen had toegediend, met z'n rechterpols in de gips zagen rondlopen. Het gebeurde meermalen dat we onze sigarettenpeukjes in de buurt van de gevangenen wegwierpen. Sigaretten geven was streng verboden. We zagen dan dat soms 10 gevangenen tegelijk op die peukjes afvlogen. De gelukkige vinder nam dan 'n trokje en gaf het dan door aan zijn medegevangenen. "Kapo's" en "Vorabeiters" zagen dat dan wel eens door de vingers...daar waar ze dan voor andere feiten er dikwijls op klopten. Toch was er onder hen één die meer hart toonde, 't Was 'n Pool...mogelijk gepakt voor varkenssmokkel. Eens moesten we buitenwerk verrichten in 'n ander kamp. Ik denk Harzungen. Samen met Rinus (Hollander) moesten we in 'n hotel verblijven. Daar kregen we tot viermaal toe een bord erwtensoep opgeschept. Een buitenkansje ! Ook konden we waarnemen dat sommige gevangenen hun schamel stukje brood omruilden voor sigaretten. Onbegrijpelijk ! Na de bevrijding verbleven we nog meerdere dagen ter plaatse tot we tenslotte gerepatrieerd werden en op 23 mei in Hoei aankwamen, 'n Paar dagen later konden we eindelijk naar huis. Tot besluit: DAT NOOIT MEER ! |
|
Bultinck
André Commeyns Hubert De Zeeuw Alfons Dierickx Jos Everaerts Jef 1, 2, 3 Horvath Karl Maas Joop Rinus Vadosch Karl Van Kempen Jan Wuyts Henri |
|
Hamburg Niedersachswerfen Kohnstein Dora |