Getuigenis  Namen  Kampen 

Jean Put, Russische krijgsgevangenen in Limburg  1942-1945,
Leven en werken in oorlogstijd, Acco Leuven, 2002
Omslagfoto: Russische krijgsgevangenen in Beringen (1943)

Info: put.jean@telenet.be   Jean Put on-line

    

Aan allen die zich belangeloos
hebben ingezet voor de
Russische krijgsgevangenen.

Uitgave: Heemkundige Kring van Beringen en Beverlo.
Acco Leuven: 2de druk oktober 2002.
Omslagontwerp, vormgeving en reproducties: Jean Put.
ISBN 9015948-7

Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt,
zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever.

     

In de site verwerkte getuigenissen
De verspreide interview- en getuigenisfragmenten werden 
ten behoeve van de getuigensite door Jean-Put bijeengevoegd tot een geheel. 

    

Beljoekov Vasili
Geeraerts Albert GvdB 0566
Gratsjov Pavel
Lecocq Nelly
Polosin Pjotr
Timoveew Aleksandr

 

Inhoudsopgave

Voorwoord Bert van Doorslaer
Voorwoord
dr. Vladimir Ronin
Inhoudsopgave
Inleiding
Transcriptie van Russische namen

1 De Grote Vaderlandse Oorlog
Achtergronden en oorzaken. Operatie Barbarossa (22 juni 1941). Een sombere zomer (1942). Soldaat Vasili Beljoekov. Miljoenen krijgsgevangenen. Na de strijd om Sebastopol. Pjotr Polosin: Lager 304-IV-H.

2 In dienst van de oorlogseconomie
Arbeidskrachten uit het Oosten. Tewerkstellingspolitiek in België. Kempense steenkool voor Duitsland. Sovjetburgers op komst.

3 Ostarbeiter in Waterschei
Bouw van het kamp. Zorgwekkende fysieke conditie. Niet te stillen honger. Het dagschema. In de pijler. De zwerftocht van Aleksandr Timoveew.

4 Krijgsgevangenen in barakkenkampen
Bouw van het kamp. De eerste konvooien. Vasili Beljoekov op transport. Pavel Gratsjov naar Beringen. Aantal Ostarbeiter en krijgsgevangenen.

5 Organisatie van de kampwerking
Taak van de tolk. Het personeel. Administratie en bevoorrading. Klusjesmannen. Interne opdrachten. Bewakers uit Beieren en Oostenrijk. Russische oversten.

6 Het Krankenkommando
Medische hulp. Naar het oude stort. Op het houtterrein. Vasili’s recuperatie. Het fietswiel. Pavel, kind aan huis. De mooiste foto van het kamp.

7 Dagelijks leven en mijnarbeid
Ondervoeding. De ‘redding’ van de cité. Personeelstekort en absenteïsme. Storingen in het bedrijf. Duitse mijninspecteurs.

8 Uit het leven van een kolenhouwer
Het werk in de pijler. Koolputters van toen. Door de rose bril van ir. Jean Dalemans. Arbeiders en productie. Reglement voor de arbeiders.

9 Krijgsgevangenen  in de pijlers
De opleidingsperiode. Van het kamp naar het werk. Samenwerken met de Russen. Het taalprobleem. Tweemaal zoveel ongelukken. De mijngasontvlamming. Loon naar werken. Straffen. Terug naar het kamp. Het treffende getuigenis van Aleksandr Timoveew.

10 Vrijetijdsbesteding
In de kantine. Vaklui en kunstenaars. Allerlei bezigheden.

11 Begraven in vreemde bodem
Beringen. Zolder. Houthalen. Genk. Leopoldsburg.

12 Wegen naar de vrijheid
Veiligheidsmaatregelen. Alle mogelijkheden benut. Razzia’s. Kaart van Limburg

13 Onderduiken
In Vogelsanck en Stokrooie. Tiewinkel en omgeving. Het hol in de Verbrande Berg. Het huis op de Ganzenheuvel. Bosrussen en Tartaren. Een Siberiër in Kaulille. Scouts en Russen. Vasili’s nieuwe thuis.               

14 Russen in het verzet
De Russische Brigade ‘Voor het Vaderland’. De Russische Emigrantenbeweging. De inzet van de Russische Prinses. Een gedreven verbindingsagent. André Pousanovsky. Baron Jean de Villenfagne. Paul Gaïdovsky-Potapovitch. Plaatselijke medewerkers. Vladimir Bjelinski.

15 Arrestaties
Het Duitse politieapparaat. Met goede afloop. Opgepakt in Wasseven. Tuchthuisstraf in Duitsland. Een zieke Rus in huis. Het Kempense landschap en de Russen. Zware straf als afschrikwekkend voorbeeld. Naar de Begijnenstraat.

16 Fatale afloop
Albert Geeraerts en de Russen. De ontsnappingslijn. Razzia in de Ardennen. De arrestaties. In de gevangenis. Het tuchthuis van Gross-Strelitz. De scheiding: Ravensbrück en Mauthausen. Het concentratiekamp van Gross-Rosen. Arbeidskamp Bautzen. Bevrijd. Naar huis. Onverwerkt verleden. Kaart van Duitsland: tuchthuizen en concentratiekampen.

17 De bevrijding
De laatste ontsnappingen. Terug naar Duitsland. De Geallieerden over het Albertkanaal. Het aandeel van de Russische Brigade. De afrekening.  Afscheid en dankbaarheid. Vasili’s tweestrijd.      

18 Het vaderland verwacht u
De terugkeer. Aleksandr Timoveew gezocht. De repatriëringscommissie nog lang actief. Onthaal in het vaderland. Overleven en blijven hopen. Contact met het Westen. De odyssee van Pjotr Polosin. Pavels terugkeer.    

19 Naar het dorp van Vasili Beljoekov
Boetakovo, het dorp van Vasili.

Dankwoord
Getuigenissen
Mijnwerkersjargon
Noten en bronnen
Literatuur
Index  

Achterflap

 

Voorwoord

Aan de hand van het persoonlijke relaas van een groep uiteenlopende getuigen brengt de auteur het verhaal in beeld van het dagdagelijkse leven tijdens de oorlogsjaren. Hoe zijn de ‘Ostarbeiter’ en de Russische krijgsgevangenen vanuit hun heimat hier in Limburg terechtgekomen? Hoe voelden zij zich bij hun aankomst in de mijnkampen, bij hun eerste confrontatie en nadien de dagelijkse realiteit onder in de put, bij het geëscorteerd worden tussen kamp en ondergrond, de werkdruk, de voedselrantsoenering, het medeleven van de citébewoners en de mijnverantwoordelijken?

Bijzonder aangrijpend is de beschrijving van het ‘stockwerk’ in de pijler en vooral het relaas van de verschrikkelijke mijngasontbranding waar men de realiteit in de ziekenzaal voor zich ziet en ruikt…

Hoopvol en leerzaam is de warme betrokkenheid, sympathie en medeleven van bijna iedereen die met de Russische krijgsgevangenen in contact kwam.

Waar Jan Kohlbacher enkele jaren geleden in zijn boek ‘Het Russisch Kamp. (1942-65)’ eveneens rijk gestoffeerd en gestaafd door originele bronnen en interviews wil begrijpen en synthetiseren en tot de essentiële conclusie komt: ‘Het was het mijnpatronaat er vooral om te doen zoveel mogelijk kool te maken tegen de goedkoopste kostprijs’, krijgen we bij Jean Put het diepmenselijke verhaal dat voor zichzelf spreekt en de lezer zijn eigen conclusies laat trekken.

Belangrijk hierbij is dat deze “geschiedenis van onderuit” onderzocht wordt waardoor ze veel toegankelijker, interessanter, menselijker wordt voor een breed publiek dat daardoor zijn historische omgeving ongetwijfeld meer zal gaan waarderen en koesteren. Deze verhalen, opgetekend en bewerkt door Jean Put, vertellen ons wie we echt zijn, waar we wonen, wat hier in onze streek allemaal gebeurd is en ze daardoor zo uniek maakt. Ze roepen ook de vraag op hoe we hiermee verder willen. De professionele geschiedenis “van bovenaf” is vaak veel afstandelijker, compacter, moeilijker, ontoegankelijker.

Met dit lijvige boekwerk, het resultaat van jarenlange nauwgezette  opzoekingen is de Limburgse mijnstreek weer een stuk rijker geworden. Het boek maakt onze vertrouwde mijnstreek ‘in herstructurering’ weer een stuk begrijpelijker voor zijn bewoners en zijn bezoekers. Het vormt een nieuw hoofdstuk van onze ‘culturele biografie’.

Hopelijk zullen vele heemkundigen en amateurhistorici zich geïnspireerd weten door onderhavig werk. Het verborgen ‘collectief geheugen’ is nog ontzettend groot en bedreigd. Nog tal van gebouwd mijnerfgoed wacht op menselijke verhalen om begrepen, beleefbaar en gekoesterd te worden.

Deze studie houdt de mijnstreek een historische spiegel voor waarin ze fier kan terugblikken op haar solidariteit.

Beringen, gezien haar ruime rekruteringsgebied tot in West-Vlaanderen, kan zich mede door dit boek terug volwaardig uitbouwen tot de ‘toegangspoort van het Limburgs mijnerfgoed’.

                                                                                      Bert Van  Doorslaer

 

Russische krijgsgevangenen in Limburg uit de jaren 1942-1945 zijn geen onbekenden voor de Vlaamse lezer. Dankzij een aantal belangrijke publicaties, vooral in de laatste jaren, kennen we deze ongelukkige soldaten van het Rode Leger als dwangarbeiders in de mijnen en nog meer als partizanen in de bossen.

Jean Put schetst nu in zijn boek een alomvattend beeld van hun dagelijks bestaan, van hun ellende en hun streven naar de vrijheid. Centraal staan hun relaties met andere arbeiders “in de put”, met opzichters en met vele Vlamingen in de omgeving, die deze Russen vaak hielpen te overleven of zelfs te vluchten en onder te duiken. Krijgsgevangenen uit de Sovjet-Unie, Russische emigranten uit de jaren twintig, Belgen, Duitse bewakers, ze vormen in deze studie één ondeelbare wereld van gewone mensen die door de oorlog werden samengebracht en gedwongen naast elkaar te leven en te werken. Nog interessanter dan de cijfers en de tabellen zijn de individuele lotgevallen van mensen die allen bij naam worden genoemd.

Behalve uit archieven heeft de auteur veel uit mondelinge overleveringen geput. Wat het boek bijzonder boeiend maakt, zijn de talrijke herinneringen van de Vlamingen en de Russen die het allemaal hebben meegemaakt. Hun verhalen worden geciteerd zoals ze werden verteld, eenvoudig en onverbloemd, met vele plaatselijke woordjes. De mensen uit Limburg hebben het niet alleen over veel miserie en solidariteit, maar eveneens over een confrontatie van de twee culturen. Verschillen in de gewoontes en in de mentaliteit tussen Vlamingen en Russen maakten hun omgang met elkaar soms erg moeilijk, maar tegelijkertijd ook fascinerend en verrijkend voor de beide groepen.

Op een van de vele foto’s in dit boek zien we een jonge krijgsgevangene uit een ver Russisch dorp samen met twee Vlaamse meisjes: een verrassende gelijkenis, je zou zeggen een broer met zijn zusters! Een symbool van de vele onvergetelijke vriendschappen uit de oorlogstijd.

dr. Vladimir Ronin

 

Inleiding

Tijdens de Tweede Wereldoorlog zijn duizenden mijnwerkers in contact gekomen met Russische krijgsgevangenen die in de Kempense steenkoolmijnen waren tewerkgesteld. Bewoners uit vrijwel alle Limburgse dorpen  hebben in die jaren te maken gehad met deze weggevoerden. Zowel kortstondige ontmoetingen als de dagelijkse verbondenheid in de mijn hebben bij velen een onvergetelijke indruk nagelaten.

De talrijke interviews die aan het schrijven van dit boek zijn voorafgegaan, resulteerden in een omvangrijke en uitermate boeiende verzameling van getuigenissen uit de eerste hand. Het bleek waardevol materiaal dat niet verloren mocht gaan. Voor ik de belevenissen van de geïnterviewden met zakelijke informatie ondersteunde, heb ik veel zorg besteed aan het verifiëren van deze getuigenissen. Enthousiaste vertellers hebben vaak een rijke verbeelding.

De resultaten van het onderzoek naar het leven en werken van de Russische krijgsgevangenen  in Beringen, Zolder en Houthalen heb ik aangevuld met gegevens  over de mijnarbeid en het kampleven van de Ostarbeiter in Waterschei. Verder wordt een overzicht gegeven van de werking van de Russische Emigranten Beweging in onze provincie en haar activiteiten in Zwartberg.

Door het boek loopt als een rode draad het oorlogsverhaal van vier Russische krijgsgevangenen: Vasili Beljoekov, Pjotr Polosin, Pavel Gratsjov en Aleksandr Timofejev. Dit is het relaas  van hun gevangenneming aan het Russische front, hun aankomst in Limburg en het werk in de mijn, hun ontsnapping en lotgevallen in onze provincie en tot slot het schrijnende verhaal van hen die naar het vaderland zijn teruggekeerd.

Met mondelinge en schriftelijke getuigenissen en veelal ongepubliceerde gegevens uit officiële documenten heb ik getracht een representatief beeld te schetsen van het verblijf van de Russische krijgsgevangenen in Limburg. Het verloop van de gebeurtenissen is een bladzijde ongewone mijngeschiedenis tegen de achtergrond van het dagdagelijkse leven en werken van onze (groot)ouders tijdens de turbulente  periode van de Tweede Wereld-oorlog.

Bij het uitschrijven heb ik zoveel mogelijk  rekening gehouden met de spreektaal van de geïnterviewden. Mijnwerkersjargon, oorlogsterminologie en dialectwoorden die in het Groot Woordenboek der Nederlandse Taal niet  voorkomen, worden toegelicht.

Mijn oprechte dank gaat naar allen die door hun bijdrage het schrijven van dit boek mogelijk hebben gemaakt: de vele informanten die bereid waren om hun - vaak verdrongen - herinneringen naar boven te halen en de Russische ex-gevangenen die hun belevenissen in het naoorlogse vaderland hebben neergeschreven.

Ik dank van harte het personeel van de archiefdiensten dat me heeft bijgestaan in mijn speurtocht naar ontbrekende puzzelstukken en allen die me  unieke documenten ter beschikking hebben gesteld. Ook de jeugdige oorlogsfotografen die met hun gelegen-heidsfoto’s onvergetelijke beelden hebben vastgelegd.

Ik waardeer ten zeerste de hulp van  mijndeskundige Bert Van Doorslaer en van histori-cus dr. Vladimir Ronin voor de suggesties en aangebrachte correcties, en van Paul Janssen en Arthur Wollants voor het vertalen van brieven en documenten.

Ten slotte dank ik mijn echtgenote voor het zorgvuldig nalezen van het manuscript. Haar jeugdroman Aleksej*, over haar herinneringen aan Russische krijgsgevangenen in Beringen, ligt aan de basis van dit boek.       

                                                                           Jean Put
                                                                           Beringen, 1 juli 2002.

* Hoogsteyns, L. ‘Aleksej’, Lannoo, Tielt, 1989.

  

Getuigen - Uittreksels

Aleksandr Timoveew - (Boek blz. 56-59, 199-202, 388-389)
    

Bij het uitbreken van de oorlog was Aleksandr Timoveew (Timofejev) nog maar pas aan zijn militaire opleiding begonnen. In Oekraïne werd hij gevangengenomen en met een groep Ostarbeiter naar Duitsland en verder naar België gedeporteerd.

Na een kort verblijf in Eisden en Houthalen,kwam hij in Waterschei terecht. 

In de zomer van 1940 hadden sovjettroepen de Roemeense gebieden Bessarabië en Noord-Boekovina bezet. In de lente van 1941 stuurde Stalin nog meer troepen naar deze bezette gebieden.

Militaire opleiding “Ik kom uit Roslavl, een stad  in de  provincie  Smolensk. Wij waren thuis met  zes kinderen. Mijn twee oudere broers hadden voor de oorlog al in het leger dienst gedaan, de ene bij de marine, de andere als vliegenier.

Ik ben op 9 juni 1941 naar de Russische officierenschool gegaan. Dat was een militaire school. Ge moest vijf jaar dienen; op die tijd kon iemand carrière maken en kapitein of majoor  worden. Op 16 juni kwamen we met 170 jongens bij de Roemeense grens aan. Een week later brak de oorlog uit. Ik was zeventien jaar. Wij waren als verkenners aangesloten bij de dienstplichtige soldaten. Ik was bij een luitenant van de verkenners te paard. Ik had een paard, een verrekijker, een kleine maar sterke mitraillette met 72 kogels en een revolver. Ik was nog niet dienstplichtig; ik had de eed op het boek nog niet afgelegd. Een Russische soldaat mocht nooit levend in de handen van de vijand vallen. Die moest zelfmoord plegen. In zijn broek had hij een klein zakske en daarin bewaarde hij een kogel voor zichzelf. Zo was de wet in Rusland.

Wij lagen op achttien kilometer van de Roemeense grens. Om kwart vóór vijf begonnen de Duitsers te bombarderen. We moesten achteruit trekken. In oktober zijn we met 40.000 man gevangengenomen. Toen de Duitsers ’s avonds begonnen te zoeken werd mijn paard kapotgeschoten. Ik was alleen, een kind nog. Ik had alles weggegooid, behalve mijn verrekijker en mij achter struiken verstopt.
‘Roeski heraus, komm heraus!’ Een Duitser met bajonet stond achter mij. Hij pakte mijn verrekijker af.
We werden naar een verzamelkamp gebracht. Het krioelde er van de vlooien en luizen! We kregen andere kleren. Ik trok mijn lijfje uit en gooide het weg.
De andere gevangenen begonnen er om te vechten. Ik dacht, wat is me dat!
‘Jongen, waarom gooit ge dat weg?’ vroeg een Rus.
‘Omdat het vol luizen zit’, zei ik. Als snotneus wist ge niks.
‘Maar morgen zijt gij bloot, dan vreten ze ú op! Gij moet uw hemd uittrekken en de luizen kapot knippen.’
Nu wist ik wat ik moest doen. Knap, knap, knap.
Zo ging de tijd voorbij.

Van kamp naar kamp - Toen begon mijn zwerftocht door Oekraïne, van kamp naar kamp. In Oekraïne is het zware grond. De koeien lopen over de landwegen. Als het geregend heeft en het begint te drogen, is de weg een harde korst. De Duitsers zaten op paarden, wij moesten te voet gaan.

Ik had mooie botten, maar de derde of de vierde dag moest ik ze afgeven. Raus, godverdomme! Barrevoets kon ik niet lopen. Ik had er vodden rondgedaan, maar ‘t hielp niks. Ik kon niet meer. De Duitsers gingen maar door! Als de laatste gevangene niet meer kon volgen, schoten ze hem kaput. Knak! Ze lieten hem liggen als een dooie hond. Gedaan er mee. Zo gingen we van het ene dorp naar het andere. Ik probeerde niet op te geven.
De bewaker naast me was goed voor mij. Hij zei: ‘Roeske, nog een beetje. Dan zitten.’
Toen werd er gestopt.
‘Kom, Roeske’, zei hij.
Ik dacht: wat gaat hij doen? Mij afmaken?
Hij ging met mij naar een huis. ‘Vraag schoenen aan die Oekraïnse’, zei hij.
Ik vroeg schoenen en een beetje eten.
‘Och, mijn manneke’, zei ze, ‘ ze hebben mij alles afgepakt, ik heb niks meer, alles is weg.’
Ik draaide me om en zei tegen die Duitser: ‘Keine Schuhe, kein Essen.’
‘Die Schuhe sind für Sie’, zei hij.
‘Madame’, zei ik, ‘het is niet voor hem, het is voor mij.’
‘Oh, mijn zoontje, wacht, ik ga zoeken!’
Met brood, komkommers, schoenen, met alles kwam ze aangedragen.
De bewaker zei tegen mij: ‘Gut, Roeske, gut. Deutsche Soldat gut.’
Drie, vier dagen heeft diezelfde Duitser mij nog te drinken gegeven. Dan ben ik hem kwijtgeraakt.

In oktober kwamen we in een kamp bij steenbakkerijen met kuilen vijf, zes meter diep, rondom afgemaakt met prikkeldraad. De Duitsers hadden er  projectoren staan en een kanon. De bewakers droegen mitrailletten. Bij de minste verdachte beweging was het trrrrrrrrrrrrrret! We hadden geen eten, geen drinken. Daar stierven minstens honderd gevangenen per dag. Mijn kameraad en ik konden bijna niet meer op, zover was het met ons gekomen.

De ontsnapping - Toen vroegen de Duitsers honderd man om aan de statie te gaan werken. Wij gingen mee. Dat was in november 1941, denk ik. De Duitse treinen kwamen aan in Oekraïne. Verder ging dat niet. De Russen hadden voor hun treinen een andere spoorbreedte dan de Europese landen. Om naar het front te rijden moest alles - munitie, olie, tonnen met voorraad - overgeladen worden op platte wagons van Russische treinen.
Ik zei tegen mijn kameraad: ‘We gaan vluchten.’
Ik had een ton minder gezet om ertussenin te kunnen kruipen, maar mijn kameraad wilde niet meegaan. We namen afscheid.
Ik zei: ‘Als gij thuiskomt, zeg  dan dat ge mij gezien hebt. Als ik het eerste ben, dan zeg ik het.’

De trein vertrok. Hij reed tien, vijftien kilometer en stopte. Ik dacht: nondedju, de Duitsers hebben zeker gezien dat er een ton tekort is. Als ze gaan zoeken en ze vinden mij, dan is het direct de kogel!
Ik keek eens rond, nog eens, ik zag of hoorde niks. Ik sprong van het platform, liet me van de berg afrollen. Ik viel in een beek en bleef liggen. Er gebeurde niks. Ik wachtte tot de trein vertrokken was en kroop een berg op om te zien waar ik was. In de verte was een dorp. Ik ging er naartoe. Ik had in het kamp een beetje Oekraïns geleerd.

De mensen waren goed voor mij.
Een moederke zei: ‘Och, mijn zoon, mijn zoon, ge hebt genoeg gezworven.’
Ze gaf me eten en drinken en ik mocht er blijven slapen. De volgende nacht sliep ik aan de andere kant van het dorp. Ik probeerde me te verstoppen om niet terug in Duitse handen te vallen. Want dan moest ik weer naar een kamp gaan en ik wilde naar het front, terug naar de Russen.

Die winter heb ik bij de ene, dan bij een andere boer gewerkt voor een boterham. Tot ik bij een Rus kwam die al van voor de oorlog in Oekraïne woonde.
Hij zei: ‘Gij zijt geen Oekraïner. Ik kan u helpen, maar gij moet mij ook helpen. In de winter dorsen we met de vleugel en in mei wordt het graan op hopen gezet.’
Mijn kleren zaten vol vlooien. Ik trok ze uit en de man gooide ze in de oven. Ik waste mij en ik ging aan het dorsen. Ik kreeg dikke blaren in mijn handen van die knobbels op de steel.
De vrouw zei: ‘Wat is ‘t, jongen? Amai, waarom hebt ge zolang gewerkt?’
Na een paar dagen begon ik terug te werken. De boer maakte mijn papieren in orde, want ik had niks meer. Hij sneed een aardappel  in tweeën en begon een helft te bewerken. Na een tijd had hij hier en daar wat uitgekrabd, hij nam een blad papier en zette er een stempel op.
‘De Duitsers kunnen dat niet lezen’, zei hij, ‘die verstaan er toch niks van.’

In de lente van 1942 moest er met paarden op het land gewerkt worden. In de dorpen waren bijna geen mannen meer, ze zaten allemaal aan het front. Hier zaagt ge een man met één oog, daar ene met één been. Er liepen alleen nog vrouwen rond.

Terug opgepakt - Op een dag moesten we naar de Kommandantur gaan. Wij zouden papieren krijgen, zogezegd om vrij te kunnen werken. Wij kwamen er aan, ze staken ons achter prikkeldraad en ‘t was afgelopen! Ik had geen afscheid kunnen nemen van de mensen waar ik gewerkt had. Wat ik had, heb ik moeten achterlaten. En het zwerven van kamp naar kamp begon weer.   

Naar België - In juli 1942 ben ik in Eisden aangekomen. Wij wilden niet werken. Wij waren gestraften, geen brave mannekes. Ze stuurden ons naar Houthalen. Wij moesten niet ontluisd worden omdat wij van Oekraïne kwamen. Wij hadden geen beestjes meer. In Houthalen  werkten wij met ongeveer 170 man in twee posten. Ik heb er altijd de middagpost gehad.

Wij kregen wel een boterhamzakske, maar geen boterhammen! De barakken lagen op het terrein van de koolmijn. Wij moesten over een plein naar het werk. Daar stonden wagons met patatten, met wortelen, met van alles. Als we ’s avonds van het werk kwamen was het nog een beetje licht. Dan sprongen wij in die wagons om onze zakken te vullen. Bij die ‘zwarte’ bewakers waren twee broers, allebei een beetje rossig. Dat waren goei mannen. Die maakten geen moeilijkheden als ze op wacht stonden om ons binnen te laten.
Een tijd nadien hebben ze ons naar Waterschei overgebracht.

  Russisch kamp in Waterschei

Koolmaken in Waterschei In Waterschei hebben we afgezien, daar was het niet zo goed als in Houthalen.

Tussen die gevangenen waren veel jonge kereltjes zoals ik. In het begin heb ik schrik gehad, ho-ho-hoho! De eerste keer dat ik met de kas naar onder ging! Die kas bewoog: djoedjoedjoedjoe, oewoewoewoewoe.

De hep moest ge altijd mee naar onder nemen en na de post terug in uw kaske leggen. De bijl ook. De pikeur, de flexibelslang om aan te koppelen, de pik en de schup kregen we onder. Dat lag allemaal in ‘den autobus’, in een ijzeren kist aan de voet van de taille. Maar van die pikeurs werkte de ene goed, de andere niet, die was niet gesmeerd en zo. Tjoep-tjoep-tjoep-tjoep. Gisteren gene goeie gehad. Ge kende het nummer. ‘Nondedju, vandaag moet ik die niet hebben!’
Maar die man van de bus zei: ‘Hier, pakken!’
Ge mocht niet zoeken, ge moest pakken wat voor u lag. Dan waart ge gekloot. En boven vroegen ze niet: ‘Slecht getuig gehad?’

Als we moesten beginnen hadden we tussen de transportriem en de kool nog geen twintig centimeter om te staan! En het was soms zo laag dat ge op uw knieën moest gaan zitten. We  werkten altijd op dezelfde plaats. Daarom haalden we na de post nog wat kolen uit, zodat ge uw twee voeten kondt zetten. Dan was het de volgende dag gemakkelijker om te beginnen. Wie tegen de riem zat als hij aan de kool begon, had tien keer meer  werk.

Als de kolen hard waren werkte ik me aan zo’n stuk dood, dan was ik dood gedrild! Altijd maar met die pikeur duwen en duwen: rettettettettet! En dan ook nog stutten en de kolen op de transportband scheppen. Alles met de hand en maar kloppen! Toen was alles in hout. Op drie meter moest ge drie stutten zetten. De bielen moesten op drie stempels staan. En dat moest ge dan compleet maken.

Als wij het afstapten kwamen ze dat controleren. Die wisten welke stock wij hadden. En boven schreven ze dat op in ne boek. Bijvoorbeeld nummer 1205: niet genoeg gewerkt. Volgend nummer: niet genoeg hout gezet of dat niet gedaan. Dat kwam boven op het rapport.

Op de rug hadden wij, politieke gevangenen, geen kenteken. Onder in de put herkenden ze ons aan de lampen. Wij hadden andere lampen dan de Belgen. Wij hadden rechte lampen met witte strepen op. Dat was direct te zien. Als wij onder naar de kas gingen, riepen ze: ‘Nee, terug! Eerste onder, laatste boven!’

Mijn grootste norm in de kool is drie meter geweest, anderhalve meter diep.
Ik heb bijna altijd de middagpost gehad. Wij zaten met zo ’n honderd man in de pijler. We zijn altijd met drie jongens uit dezelfde barak samengebleven en we hebben altijd goed gewerkt.
Warm dat het er was! Ik had niks aan als een kort broekske en schoenen. Geen lijfke, niks. Ik kon mijn broekske uitwringen van het zweet. Ge hadt mijne rug moeten zien vijfendertig jaar geleden. Dat waren allemaal zwarte krassen en zwarte strepen. Gekwetst, kolenstof erin. Putzweren heb ik ook veel gehad.

Afgetuigd! - In de koolmijn werkten oude emigranten die al van voor den oorlog hier  waren: Russen, Polen, Tsjechen, Italianen. Sommigen waren goed voor ons, anderen slecht.

Ene keer hebben wij wat meegemaakt. Supan was de grote chef over de Russen. Hij was conducteur, de baas van de namiddagpost bij ons. Dat was ne rotzak! Op het einde van de post kwam hij ne keer af op de bak, tjoek, tjoek, tjoek…. En bij ons sprong hij eraf. Wij zaten daar. We hadden gedaan, alles was schoon opgekuist, maar het was nog te vroeg.
Die begon op ons te slaan. ‘Smerige Russen! Arbeiten!’ En dit en dat.
Maar die hebben we toen gesmeerd. Ik ben gene brave mens. Ik spuwde hem in zijn gezicht. We sloegen zijn lamp kapot, gooiden ze weg en zetten hem op de transportband. Onder passeerde hij de balans, ging ne kolenwagen in en daar hebben ze hem eruit getrokken.

Ik zei: ‘Mannen, die is geleerd. Maar straks zijn wij ook geleerd.’
We kwamen in het kamp, in de rij. Iedere keer als we er aankwamen, riepen ze direct: ‘Die nummer en die nummer, de kelder in!’
Wij naar binnen. Er  werd geen woord gezegd. Gene praat, niks. Maar vóór het eten riepen ze: ‘Pijler die en die: één dag gestraft voor drie sigaretten!’
Waarom werden die pijlers gestraft? Dat werd niet gezegd. Er werd geen reden opgegeven.

1205, de kelder in! - Ge moest hard werken. Kreegt ge uw werk niet gedaan, al waart ge kapot gewerkt, dan werdt ge gestraft. Van de zwarte bewakers moest ge de kelder in.
‘1205, de kelder  in!’
Daar stond veel water in, daar  was gene wc, niks.
En  ’s morgens: ‘1205, de rij in! Werken!’  
Zonder eten.
’s Morgens geen eten, ’s avonds ook niet.

Onder in de put liep alleman naar zijn werk. Flexibel, pikeur, schup gepakt, alles wat nodig was en iedereen gauw naar zijn plaats. Ik spoedde me niet meer, ik wilde niet meer werken. Ik kwam als de laatste en ging me verstoppen in een gangske, in ‘t pompenkot.
In die gang werkten niks als Belgen. Die hadden eten en drinken bij. De gevangenen hadden niks. Er brandde geen licht. Zij konden mij niet zien, maar ik hen wel. Ik ging langs die jassen, hier ne boterham, daar een stukske drinken. Nog ne boterham, drie, vier. Ik had geëten en gedronken en ging terug naar het pompenkot om wat te slapen.

Na de post: ‘Waar hebt gij gewerkt?’
Ik zei niks.
In het kamp: ‘1205, de kelder in!’
Maar ik werd dat moe. Ik kon niet meer. Het zat me tot hier. Toen heb ik me opzettelijk gekwetst. Ik liet een dikke steen op m’n kop vallen. Baaf!… Dat vel was allemaal weg.

Ik ging naar boven, eerst naar het kamp, dan naar Waterschei Kliniek. In een barak lagen de gekwetste Russen van Waterschei en Zwartberg. Een verpleegster kwam mij verzorgen. Dat waren daar allemaal nonnekes. Na een paar dagen kwam er een naar me toe en die zei: ‘De mis is morgen om dat uur.’
Ge moest van de barak naar de kapel. Daar ging ne bewaker met ons mee.
’s Zondags ging ik nog eens naar de mis. Onderweg raapte ik een stompke sigaret op. Wie naar de mis ging, kreeg een beetje meer soep. Aleksandr ging alle dagen naar de mis. Ik kreeg een appel van de nonnekes, een boterham, een sigaretje. Ik was goed genezen.

Jan uit Scherpenheuvel - Toen ik uit de kliniek kwam, wilde ik niet meer gaan werken in de taille. Als we in de badzaal aan de kaskes onze kleren aangedaan hadden om naar onder te gaan, en we stonden op de verzamelplaats, dan riepen ze:
‘Vijftig!’
Dan vertrokken de mannen die in taille 50 werkten. Elke taille had zijn nummer.
‘Veertig!’
Weer een groep mannen die naar hun pijler gingen. Ik dacht, ik ga niet mee, ik ben daar geschrapt. Ik had een paar maanden in het ziekenhuis gelegen. Daarna kwamen de mannen die geen vaste plaats hadden, dat waren misschien twintig man, vijftig man. Een chef van Diest moest een paar man hebben, niet om kool te maken, maar om de bakken op te schuiven en zo. De rangeerpost noemden ze dat. Die pakte mij en ik moest met een Belg meegaan die Jan heette. Hij was van Scherpenheuvel.

‘Roeske’, zei hij tegen mij, ‘kom, mallet maken.’
‘Oh, danke schön.’
‘s Anderendaags: ‘Kom maar bij mich arbeiten. Ik kom u halen.’
‘Ja, Jan, kom me halen. Nummer 1205. Kom.’
Jan was voor mij zo goed als een vader. Ik probeerde mijn best te doen. Als ik onder kwam, moest ik zeshonderd meter gaan naar ’t magazijn om getuig te halen: pik en schup. Jan stond dan een beetje verder op mij te wachten met twee dikke sneden brood, goed gesmeerd, in papier gepakt voor mij.   
Andere Belgen hadden dat gezien. Ze zeiden: ‘Aleksandr, ge moet naar Jan gaan in Scherpenheuvel. Da’s ne dikke boer en hij heeft een enige dochter.’

Toen ik een paar maanden met Jan gewerkt had, zegden ze in het kamp dat ik terug kool moest gaan maken. Ik dacht, nu is het schoon leven voorbij. Toen ik onder kwam,  zei ik dat tegen Jan. Die zei het tegen zijne chef en die tegen de porion.
‘Niks ander werk’, zei die. ‘Ik spreek morgen op de bureau over u en gij blijft bij Jan.’
’s Anderendaags wachtte ik op Jan en ik ging met hem mee. Ik dacht, deze avond ga ik wat horen in ‘t kamp!
Niks gehoord en ik heb bij Jan gewerkt tot de laatste dag.”  

Na het vertrek van de krijgsgevangenen was er een enorm tekort aan mijnwerkers. Russen die in ons land waren gebleven, gingen na de bevrijding terug aan het werk. Vóór 12 januari 1945 herbegonnen in Waterschei negentien Russische arbeiders. Aleksandr Timoveew was een van hen.

 
            Aleksandr Timoveew (1948)

Gezocht - “Toen ik wat gewerkt had, godverdomme, begonnen de Russen mij te zoeken. De commissaris van de geheime politie van Brussel kwam met twee gewapende Russen naar de mijn om mij te halen.       

‘Ja’, zegden ze, ‘het Vaderland wacht op u. Ge moet maar gaan.’
Ik zei: ‘Ik moet eerst de mensen gaan betalen waar ik slaap.’

De commissaris riep me naar buiten. Ik dacht,  pas op, seffens krijgt ge nog een kogel door uwe kop! Maar in plaats van ne kogel kreeg ik twee keer honderd frank.
'Hier’, zei hij. ‘Ze komen naar de kliniek van Waterschei, de zieke en gekwetste Russen ophalen. De trein komt langs Zwartberg. Kruip maar in den trein en kom naar Brussel.’
‘Dat is goed’, zei ik.                    
Ik dacht, dat ga ik niet doen. Ik ben toen weggegaan bij Maria, mijn verloofde, waar ik inwoonde. Ik kreeg een kamer bij een Oekraïnse die al van voor den oorlog in België woonde. Mijn kameraad en ik en nog een andere Rus kwamen daar bijeen.

Op een nacht was ik met mijn kameraden aan het jenever stoken. Van een kilo suiker en rotte peren maakten wij vijf liter goeie jenever. We gingen gewoonlijk ’s middags naar de markt; die laatste peren gooide die verkoper dan weg. We deden er een beetje gist en een kilo suiker bij en lieten dat acht dagen staan. Russen waren daar zot op.

En die nacht stopte er een auto. De Russen reden altijd met een Volkswagen en dat hoort ge aan de slag van de motor.
Ik zei: ‘Licht uit! Ne Russische wagen met de Russische ster!’
Ik weg. Naar Maria. Wij pakten de trein naar Leuven en reden naar Charleroi.
Daar woonde familie van haar. Een Russische emigrant  die er een grote winkel had, ging met ons naar de mijn en bezorgde me werk.
Twee dagen later kwam Maria terug naar huis om de toestand te verkennen. Een van mijn kameraden was opgepakt, de andere was ontsnapt. Die is ook naar Charleroi gekomen. Wij huurden een gemeubileerde kamer boven een café. De bazin was een Poolse.

Op een dag zei ze tegen ons: ‘Jongens, vannacht moogt ge hier niet blijven. Ze komen u halen.’
Iemand had ons verraden. Van het Russisch consulaat had die man daarvoor duizend frank gekregen. Toen heb ik zes weken verstopt gezeten. Dat was in 1946.

Daarna ben ik teruggekomen en ben ik in de mijn van Zwartberg gaan werken.”

   
       

Pavel Gratsjov (Boek blz. 77, 104-105, 116-117, 118, 361, 404-406)

    

“Ik ben op 22 juli 1923 geboren in het dorp Mostixo in Siberië. Toen de oorlog uitbrak, werkte ik in een kolchoz.

Ik werd opgeroepen en begon mijn legerdienst één jaar vroeger dan voorzien was. In Tomsk kreeg ik mijn opleiding bij de artillerie. In maart 1942 stuurden ze ons naar het front. Vier maanden later, op mijn verjaardag, werd ik gevangengenomen en in een vervallen kerk met honderden soldaten bijeengebracht. We werden door de Duitsers in het bezette gebied van Rusland aan het werk gezet. En ze deden ons hard werken!

Op het einde van 1942 voerden ze ons naar Duitsland. In een kamp in Saksen werden de besten uitgezocht en die stuurden ze naar de mijnen in België. Ik dacht, dit is het einde, dat is mijn dood. Maar ik vergiste me. We werden in Beringen goed ontvangen. Bij onze aankomst kregen we soep. We aten ze als matrozen, zonder lepel, met de kommen aan de mond. Ik herinner me een meisje van 11-13 jaar dat ons soep bracht en de soepkommetjes bijeenhaalde. Toen had ik de indruk dat ik geen gevangene meer was en dat ik met zo’n mensen wel in leven kon blijven.”

Beringen: naar het oude stort - Begeleid door mijnwachters trokken gevangenen die niet geschikt waren voor ondergrondse arbeid, naar de oude stortplaats bij de kolenhaven. Daar moesten ze het aangevoerde afval over het terrein uitspreiden. Nicole Delarbre, een vijftienjarige jongen die op het Kioskplein woonde, herinnert zich het Krankenkommando (1) nog als de dag van gisteren.

  
        
Beringen - winter 1942-1943: Russische 
        krijgsgevangenen op de oude stortplaats
  

“Toen ons ma dat in het oog kreeg, zette ze kruiken soep en stomp en wat we toen hadden achter aan het tuinpoortje gereed. Jean Custers, de garde, liet dat meepakken naar het oude stort. Daar aten die mannen op wat ons ma had meegegeven en ’s avonds zetten ze de lege kruik weer aan het poortje neer. Dat gebeurde de laatste maanden van 1942. Het is daar dat ik Pavel Gratsjov heb leren kennen. ‘Paulic’ noemden we hem. Op het einde is dat een officier geworden, maar in het begin was dat nog een armzalig sukkelaartje.”


Pavel, kind aan huis - Bij het uitbreken van de oorlog  was Henri Delarbre, de vader van Nicole, ingescheept naar Engeland. Door zijn afwezigheid groeide zijn zoon in Beringen-Mijn op tot een vrijgevochten jongeman die de omgang met de Russische krijgsgevangenen boeiender vond dan de lessen in het college van Beringen.

Nicole Delarbre: “Iedereen had zo zijn geliefde Rus. De onze was de negentienjarige Siberiër, Paulic. Dat  was mijn boezemvriend. Maandenlang is hij bij ons aan huis gekomen. Eerst kwam hij met het Krankenkommando mee naar het houtpark. Later begeleidde hij de Russen van de middagpost van het kamp naar de mijn. Voor hij met de mannen van de morgenpost terugging, was hij anderhalf uur vrij. 


  
Pavel Gratsjov, Nicole en mama Delarbre

Op de hoek van de Statiestraat en de Steenweg stond een betonnen paal van de omheining die hij een beetje kon verplaatsen. Langs daar kroop hij naar buiten. Roef, de Steenweg over, en langs achter  kwam hij thuis binnen. Als hij binnenkwam kuste hij mama. ’t Was precies een  zoon. Mama had dan eten klaargemaakt, soms was dat spek met eieren. Ze  waste ook zijn sokken. Hoe dikwijls is hij niet met twee blikskes sardienen op zak terug naar het kamp gegaan. De facteur bracht ons onder de oorlog regelmatig een pakske met blikskes sardienen. Papa die in Engeland zat, liet die pakskes opsturen. Vanuit  Portugal kwamen ze naar ons land.”                                                


  

 

 

 

 

 

    Pavel (en Aleksandr)  

Mislukte ontsnappingspoging -  "Ik ben gaan lopen  met Michaïl Izakovitsj. Ik weet niet meer met hoevelen en ook niet  wanneer we ontsnapt zijn. Ik denk dat het in de maand augustus was. Michaïl is het gelukt. Mij is het niet gelukt. Ik kwam tegenover een Duitse officier te staan die zich gelukkig grootmoedig heeft gedragen. Hij hield ons staande en richtte zijn pistool op mij.
Hij riep: ‘Warum gehen Sie laufen?’

Wij bleven even staan, maar Michaïl liep verder. Ik volgde hem. Zou die Duitser ons in de rug schieten? Hij schoot in mijn been en ik viel. Hij riep dat ik moest opstaan. Hij schoot een tweede keer, ditmaal in mijn hiel. Hij riep nog iets maar ik stond niet recht. Ik bood geen weerstand meer, ik liet maar begaan. Het maakte voor mij niet meer uit waar ze mij naartoe zouden brengen. Dat is gebeurd niet ver van de mijn, midden op straat. Ik werd naar een ziekenhuis gebracht. Een chirurg, een oude man, heeft mij geopereerd en een gipsverband gelegd (2). Ik weet niet hoe  lang ik in het ziekenhuis ben gebleven. Enkele dagen, denk ik.                                                              

Naar Schotland - Toen is een Engelse officier met een brancard naar mij toegekomen. Hij sprak niet tegen mij, hij vroeg mijn toestemming niet. Ik werd meegenomen en daarna met een boot over het Kanaal naar Engeland gebracht. Ik kwam in Schotland aan, in Edinburgh of Glasgow, dat weet ik niet meer. Ze staken ons in een groot gemeenschappelijk kamp. Daar zaten Russen, Duitsers en mannen van allerlei nationaliteiten die aan de zijde van de Duitsers gevochten hadden.     

In maart 1945 kwam een Russische attaché, generaal-majoor Radov, naar het kamp. Hij verzamelde de Russen en we kregen een Engels soldatenuniform. We werden naar de haven gebracht en op een schip gezet. Er lagen twee schepen. Het ene had krijgsgevangenen aan boord. Er werd gezegd dat het er 20.000 waren. Op de andere boot zaten 18.000 Ostarbeiter.

Pavels terugkeer - Onder escorte van een vliegdekschip voeren we over de Atlantische Oceaan en de Middellandse Zee. Toen wij in de Bosporus aankwamen, kregen wij een tijd rust. Via een megafoon werd ons  toegeroepen: ‘Waar gaan jullie heen?’
We kregen als antwoord: ‘Jullie wacht allemaal de kogel. Stalin beweert dat er bij hem geen krijgsgevangenen zijn, alleen verraders van het vaderland.’
Velen van ons zijn toen overboord gesprongen. De Turken slaagden erin hen op te vissen en in bootjes naar de oever te brengen, naar Istanbul.”

De blijheid om de terugkeer was voor velen van korte duur. Terug in het vaderland begon Pavel Gratsjov aan de lijdensweg die ook Pjotr Polosin en duizenden anderen te wachten stond. Vanaf het ogenblik dat ze in Odessa voet aan wal hadden gezet, begon de pijnlijke ontnuchtering.

De Russische auteur Erenboerg schreef in zijn memoires wat zijn dochter Irina had gezien, toen zij in Odessa voor het legerblad De Rode Ster werkte: Russische krijgsgevangenen die met een troepentransportschip uit Marseille waren gekomen, werden als misdadigers ontvangen en zouden naar kampen gestuurd worden.

“Wij kwamen in Odessa aan en zagen daar de vernielde gebouwen van de oorlog. In ons Engels uniform trokken we door de straten, zonder wapens en begeleid door militairen met automatische geweren. De mensen bekeken ons. Wij waren soldaten, maar zonder wapens en zonder papieren.

Nadien werd ik naar Bakoe gestuurd. Daar heb ik in een steengroeve gewerkt en leistenen gehakt. Dan ben ik voor het tribunaal moeten verschijnen. Ik werd veroordeeld tot tien jaar strafkamp en mocht vijf jaar lang mijn verblijfplaats niet verlaten. Ik was zoals Pjotr Polosin in de gaswinning terechtgekomen, een zwaar werk dat heel schadelijk was voor de gezondheid. En daarna voerden ze ons helemaal naar het noordoosten van Siberië, naar Kolyma. Dat was de hel.”

Kolyma de planeet - Begrensd door de Stille Oceaan, de Noordelijke IJszee en een ontoegankelijk gebergte in het westen  is Kolyma een geïsoleerd gebied, een reusachtige natuurlijke gevangenis. Omdat het gebied zeer belangrijk was voor de goudwinning, deporteerden de sovjets tienduizenden gevangenen naar Kolyma. Ook voor de exploitatie van bouwhout werden veel dwangarbeiders ingezet. Varlam Sjalamov die zeventien jaar in Kolyma zat, schreef een aangrijpend boek over zijn kampervaringen. Bij iedere temperatuur moest er gewerkt worden, ook al vroor het meer dan 50 graden.

Het lied dat er door de gevangenen  gezongen werd, loog er niet om:          

Wees vervloekt, Kolyma,
         Genoemd een vreemde planeet.
         We worden hier gek.
        
Want van deze plek keert niemand terug.

Na zijn vrijlating in 1957 begon Pavel Gratsjov te werken in de mijnen van Karaganda. Hij bleef er tot in 1961 en trouwde er met een meisje uit Letland.

Vera, dochter van Vasili Beljoekov: “Pavel had tien jaar gevangenisstraf gekregen met daar bovenop het verbod om de volgende vijf jaar Siberië te verlaten, en zijn burgerrechten waren hem ontnomen. Dat wil uiteraard zeggen dat hij na de straf daar moest blijven. Bovendien had Pavel een vrouw uit Letland leren kennen die, na de inlijving van de Baltische staten bij de Sovjet-Unie, daar naartoe was gedeporteerd. Ze kregen twee zonen. Om zijn gezin te onderhouden werkte Pavel in een mijn. Na de periode van 10+5 jaar zijn ze naar haar geboorteland teruggekeerd.”

Pavel Gratsjov met zijn vrouw en zoon

Jaren later - Vijfenvijftig  jaar na de bevrijding kwam Nicole Delarbre via Vasili Beljoekov en Pjotr Polosin opnieuw in contact met zijn vriend. Vanuit  Jelgava in Letland schreef Pavel Gratsjov aan Vasili Beljoekov: “Ik ben Pavel waarmee jij samen was in het gevangenenkamp van de koolmijn in de stad Beringen. Het kamp lag zowat anderhalve kilometer van de mijn. De kolen die wij voor de Duitsers moesten uithalen werden via het (Albert)kanaal en de Rijn naar de Ruhr in Duitsland gebracht.

Ik ben in het jaar 1942 naar het kamp gekomen. In die tijd was gevangene Viktor Motorjuk overste van het kamp. Ik zat in Barak 2, tegenover de keuken waar Adamovski hoofd van de keuken was. Jakov Ossimon was ook bij ons. Hij was tolk. En Michaïl Isakov  was overste van Barak 4. Vasili, ik schrijf je dit allemaal om je te overtuigen dat wij samen in hetzelfde kamp waren. We werkten daar in de mijn en op de bovengrond. Ik herinner me nog mijn kampnummer 6897 en het SU-teken op de rug.


     












          
Nicole Delarbre

Doe de groeten van mij aan Nicole Delarbre. Hij zit als een levendige Belgische jongen zeer diep in mijn herinnering. Wat hield hij van de gevangenen! Ik had hem een pilotka  gegeven. Nicole had er een sterretje opgemaakt. Hij had de muts altijd bij, hij kon er geen afstand van doen. Fier stapte hij ermee heen en weer langs het kamp. De Duitse schildwacht pakte ze af, gooide ze op de grond en stampte erop.

Ik ben bij hem aan huis geweest. Zijn mama was heel goed voor mij. Ze gaf me eten en trakteerde me zelfs een keer op room. Mocht ze nog in leven zijn, groet ze dan van mij. Doe ook de groeten aan Jean Custers, de garde en aan het meisje Nini. Haar familienaam herinner ik me niet meer. Ze kwam dikwijls met haar vader en moeder naar het houtpark waar wij werkten. Ze hielp de krijgsgevangenen. Daarna hoorde ik dat Nini opgepakt is door de Duitsers (3). 

Vasili, als de Belgen ons niet geholpen hadden, waren wij er niet meer. Wij zijn hen dankbaar omdat ze zo goed voor ons zijn geweest. Ik herinner het me met tranen in de ogen, want niet iedereen kan dit nog schrijven.”        

(1) Groep arbeidsongeschikte Russische krijgsgevangenen (zieken, gewonden) 
(2) Geopereerd door dr. Gerard in het Sint-Franciskus Ziekenhuis van Heusden 
(3)
Nelly Lecocq: zie Getuigenis Albert Geeraerts

   
        

 Beljoekov Vasili 
Boek blz. 23-25, 28, 76-77, 90, 91, 112-114, 174, 244,284-286, 292, 295, 305-306, 321, 374-375, 381-384.      

     

Het oproepingsbevel - Vasili Beljoekov woonde in Boetakovo, een dorpje in de provincie Gorki - nu Nizjni Novgorod -  ongeveer 500 km oostelijk van  Moskou.
Op 22 juni ‘41 brak de oorlog uit en op 15 juli werd hij opgeroepen om opgeleid te worden voor de luchtmacht. Samen met twee jongens van zijn dorp die ook middelbaar onderwijs hadden gevolgd, ging hij zich aanmelden.

“Voor we aanvaard werden ondervroeg een commissie ons naar onze politieke gezindheid en naar die van onze familieleden. Ze vroegen mij: ‘Hebt gij gecorrespondeerd met het buitenland?’
‘Nee.’
‘Hebt ge familieleden in de gevangenis zitten?’
‘Ja.’
‘Wie?’
‘Mijn vader.’
‘Waarvoor is hij veroordeeld?’
Omdat mijn vader een politieke gevangene was, vertrouwden ze mij niet. De vijf commissieleden zaten een tijd tegen elkaar te fezelen. Mijn twee kameraden werden aangenomen. Ik niet. Ik kon gaan. Ik werd afgekeurd, het is te zeggen, ik kreeg uitstel.”

Vader Dmitri Beljoekov had een goede opvoeding genoten. Vóór zijn legerdienst was hij ambtenaar van de tsaar in Sint-Petersburg. Hij vocht in de oorlog tegen Japan (1904-05). Tijdens de Grote Oorlog in 1914-1918 werd hij krijgsgevangen gemaakt. Omdat ondertussen de Roden aan de macht waren gekomen, begon hij na zijn terugkeer als landbouwer in het dorp Boetakovo.

In het midden van de jaren 30, tijdens de Tsjistka, ‘de grote zuivering’, werden in alle lagen van de bevolking de vermeende ‘vijanden van het volk’ opgepakt. Niemand was nog veilig. Zowel boeren als politieke en militaire leiders werden slachtoffer van Stalins grote terreur. Het aantal slachtoffers liep in de miljoenen.                                                                                          
In 1937 werden in het dorp Boetakovo 38 mannen opgepakt. De zestigjarige Dmitri Beljoekov was er bij. De jongeren werden veroordeeld, de ouderen verdwenen spoorloos. Het gezin Beljoekov dat tot de welgestelden van het dorp behoorde, verloor geleidelijk al haar bezittingen.

Militaire opleiding - De Duitsers die in 1941 het grootste gedeelte van Europees Rusland hadden bezet, zouden opnieuw in het offensief gaan zodra het weer het toeliet. Het Rode Leger had nieuwe manschappen nodig. Agenten van de veiligheidsdienst haalden gevangenissen leeg en stuurden mannen die jarenlang als ‘vijanden van het volk’ in de cel hadden gezeten, naar het front. Op 3 februari 1942, op zijn twintigste verjaardag, nam Vasili Beljoekov afscheid van zijn moeder. Hij was voor de tweede keer opgeroepen en ditmaal bij de landstrijdkrachten ingedeeld.

“Eerst stopten ze mij in een fabriek. Daar zaten nog meer jongemannen die als ‘onbetrouwbaar’ stonden aangeschreven. Tot april waren we voor de helft van de tijd militair, de overige uren werkten we in de fabriek. Toen begon de militaire opleiding, nog in burgerkledij. Na drie weken benoemden ze me tot sergeant. Wij kregen een uniform en werden in de trein gestopt. In de havenstad Novorossijsk aan de Zwarte Zee zouden wij inschepen voor Kertsj op de Krim. Dat was in mei 1942.

In het najaar van 1941 had het Duitse leger de Krim bezet, uitgezonderd Sebastopol,  maar tijdens de barre wintermaanden hadden de Russen bij verrassing Kertsj opnieuw veroverd. Wij, jonge rekruten, zouden als versterking er naartoe gaan, maar we kwamen te laat. De Russen hadden Kertsj opnieuw moeten opgeven. Van het Krimschiereiland bleef alleen nog het zwaar versterkte Sebastopol over. Mijn kameraden en ik werden aan wal gezet en zo kwam ik feitelijk aan het front aan de Zwarte Zee.”

De strijd om Sebastopol - Bij zijn aankomst op de Krim, eind mei 1942, werd Vasili bij de granaatwerpers ingelijfd. “We zaten zo’n vier kilometer van het front. De tweede dag dat het bataljon in stelling lag, werden we onder vuur genomen. In de loopgraaf kreeg mijn luitenant een steenblok op z’n kop. Hij was op slag dood. Ik werd door granaatscherven aan mijn twee benen gewond en lag veertien dagen in het veldhospitaal  onder een tent. Het is te zeggen, er was geen hospitaal en er was geen tent. Ik lag op een plateau tegen de rotsen, met beneden de Zwarte Zee.

Ik werd in  volle zomer in open lucht geopereerd. Ze hadden geen medicamenten. Om de pijn te verzachten, deden ze mij voor de operatie een fles wijn drinken. Daar heb ik een infectie opgedaan: osteomyelitis. Dat is een pijnlijke, etterende beenmergontsteking. Zo’n beenwonde mag niet aan de lucht blootgesteld worden, de verzorging moet in een steriele kamer gebeuren. Naast me lag een matroos die ook een beenwonde had. Hij had maden in zijn been gekregen. Op een keer kon hij het niet meer uithouden. Hij pakte een doek, wreef ermee en stak dwars door zijn been! Alle vlees was weg.

Ik had alle twee de benen gebroken. Dagenlang heb ik met hevige pijn en hoge koorts gelegen. Ge kunt niet eten en dan begint ge direct te vermageren. Toen pakten ze ons krijgsgevangen en kregen we bijna geen eten meer.”

De sterkste vesting van de wereld - Von Manstein had gehoopt tegen Kerstmis 1941 de verovering van de Krim achter de rug te hebben, maar zijn leger werd er acht maanden opgehouden. De laatste en beslissende aanval op de marinebasis Sebastopol  begon op 3 juni 1942 en duurde één maand. Bijna 100.000 Russische soldaten werden krijgsgevangen gemaakt.

In Simferopol - Nadat Vasili Beljoekov gevangen was genomen werd hij naar Simferopol gevoerd. De Duitsers hadden een gevangenis als hospitaal ingericht. De gewonden lagen op de vloer. Elke dag bezweken 15 tot 20 gevangenen aan hun verwondingen.

“Toen ik in dat hospitaal lag, kon ik nog niet eten. Al mijn tanden stonden los. Dat komt omdat ge bepaalde vitaminen te kort hebt. En sommige van die vitaminen zitten in ajuin. Een Duitse en een  Russische dokter kwamen naar me toe. Er was ook een tolk bij. Ik vroeg in gebroken Duits om een ajuin. De Duitse dokter wilde weten waarvoor ik die nodig had.
‘Mijn tanden staan los’, zei ik.

Ik dacht, al krijg ik maar ene ajuin dat is genoeg, daar kan ik dan langzaam op zuigen. Dan komen mijn tanden opnieuw vast te staan en krijg ik weer eetlust. Ik kende die ziekte. Bij ons noemen ze dat tsinga. Het doet geen pijn, maar ge kunt zelfs geen mals brood meer eten. Elke Rus weet dat. Russen staan dicht bij de natuur en de geneeswijzen gaan over van vader op zoon, van moeder op dochter.

Die Duitse dokter had compassie met mij. Ik was twintig jaar en mager. Hij schreef me drie ajuinen voor. Die zoog ik allemaal op en mijn tanden kwamen weer vast te staan. Toen ben ik beginnen te eten en met krukken te gaan. Maar de wonden gingen niet dicht. Er zaten nog granaatscherven in mijn benen. Een ervan zat tegen het been. Dat was niet zo erg, maar een ander zat erin. Dat moest er eigenlijk uit. Anders zou het blijven gloeien en steken.

Naar Duitsland  -  In dat hospitaal ben ik vier weken geweest, denk ik. In augustus voerden ze ons naar Dnjepropetrovsk, ruim 400 km benoorden Simferopol. Na een tiental dagen werden we op een trein naar Duitsland gezet. Bij onze aankomst moesten we ons uitkleden en werden we door een Russische gevangene helemaal onthaard. We gingen naar de douches en daarna mochten we onze kleren, die ondertussen ontsmet waren, weer aantrekken. Een paar dagen later kregen we een ander uniform. In Rusland had ik een chic cavalerie-uniform: een mantel van fijne stof met een grote split van de rug tot op de grond. Dat was de zomerkledij van de cavalerie. Die mantel moest ik afgeven. Het katoenen vest dat ik onderaan had en mijn broek die verhakkeld was van de blessures, mocht ik houden.

In september vertrokken we naar een ander kamp. Daar vroegen ze gevangenen om op de boerderijen in de buurt de oogst binnen te halen. Bij een van die boeren kregen de gevangenen geen eten. Zijn zoon was aan het Russische front gesneuveld.

Op transport - Na ons verblijf in het laatste kamp in Duitsland zijn we op de trein gezet. Dat was een trein met misschien wel vijftig wagons. We zaten in beestenwagens. Als de mannen aan de ene kant van de wagen wilden gaan liggen, moesten die aan de andere kant recht gaan zitten. Toen we vertrokken kregen we een zuur brood van 1 kg of 1,5 kg , dat  weet ik niet meer precies. We moesten er mee toekomen tot we op onze bestemming aankwamen. De meesten aten het brood in een keer op. In de wagon hadden we een blikske om in te wateren en dat goten we door het venster uit. Waar we konden, vulden we datzelfde blikske met water om te drinken. Daar was toen niet veel menselijks meer aan.

We wisten niet waar we naartoe reden. Onderweg wisten we ook niet waar we zaten. Na drie dagen kwamen we in België aan. In Luik werden gevangenen afgezet voor de mijnen. En zo ging dat verder tot in Beringen. Daar zijn de laatsten van de trein gestapt. Twee wagons van honderd man.



Beringen -  Russisch kamp 1943-44                 (Foto Nicole Delarbre)

Het kamp in Beringen - Op 24 oktober 1942 zijn we in Beringen aangekomen. De meesten waren geblesseerd en verzwakt. Eerst zijn we naar de charbonnage gegaan. Daar kregen we soep.

Beringen -  Soepbedeling bij de  aankomst ( 10.09.42)

Dan werden we ingeschreven. We werden ondervraagd door Belgen. Veel Russen, ook studenten die middelbaar onderwijs gevolgd hadden, gaven landarbeider als beroep op. Ze hoopten van werk te krijgen op een boerderij, daar was altijd eten. Want de eerste betrachting is: zullen we eten krijgen? En dan denkt ge: in de mijn werken, wat zal dat zijn? Ik had nooit een mijn gezien. De dichtstbijzijnde mijn lag 2000 km van mijn dorp.

Vlakbij de ingang van het kamp, aan de rechterkant, lagen twee barakken. Daar werden we veertien dagen afgezonderd, honderd man in elke barak. Ik kwam in Barak 2 op de bovenste brits te liggen. We zagen de Russen die al langer in het kamp waren naar het werk gaan, maar zij mochten bij ons niet komen.

Een mijndokter onderzocht ons in de infirmerie van het kamp. Er zat ook een Duitse dokter bij, maar de dokter van de mijn en de verplegers deden het werk. Van anderen die klagen weet ge niet direct wat ze mankeren, maar bij mij stonden de wonden nog open. Die waren nog niet helemaal genezen. Ik mocht nog niet afdalen. We werden gewogen. Ik woog 39 kilo .

Toen ik in Beringen aankwam, was Pjotr Polosin onze barakoverste. Dat was nog een jonge kadee, een fijn ventje. Hij was luitenant. Voor mij was hij goed. Die had compassie met mij.  Waarschijnlijk omdat ik zo mager was en ongeveer zo oud als hij. Pjotr bracht mij alle dagen twee  liter soep. Ik heb me eens zo dik gegeten dat ik dacht dat ik dood ging. Ik kreeg brood en at mijn kom soep leeg. En toen bracht hij me nog een gamel van twee liter. Ik speelde dat allemaal naar binnen en toen kon ik niet meer recht. Ik kon bijna geen adem meer krijgen. Als dat vettig eten geweest was, dan was ik erin gebleven. Ik wist dat het niet mocht en toch kon ik het niet laten.”

Bewakers en Russen - De bezetter had de bewaking van het kamp van Beringen, Zolder en Houthalen toevertrouwd aan de 4de compagnie van het Landesschützenbataljon 709. Deze Wehrmachtsoldaten uit Beieren en Oostenrijk waren gewond geraakt, bleken te oud of waren om een andere reden ongeschikt bevonden voor het front. De Duitse overheid was niet te spreken over de motivatie van deze mannen, noch over de wijze waarop ze de bewakingsopdrachten uitvoerden. Herhaaldelijk moesten richtlijnen in herinnering gebracht worden. Er dreigden zelfs strafmaatregelen als de voorschriften niet nauwkeuriger opgevolgd werden. De meeste bewakers behandelden de krijgsgevangenen vrij goed, op voorwaarde dat die geen moeilijkheden veroorzaakten. Er werd niet streng opgetreden.

Koolblaren… Afblijven! “Eén keer heb ik van de kolf van het geweer gehad. Wij lagen in een barak, dicht bij de keuken en ze deden ons de afval wegdragen. Buiten de poort lag een hoop afval en daar moesten we die blaren omkappen.
Die mannen vlogen op de koolblaren af om ze op te eten. Ik niet. Ik was ook uitgehongerd,  maar ik ben altijd bang geweest om een besmetting op te lopen. De Duitsers kwamen afgelopen met hun geweer. Ik bleef staan, ik dacht ik moet die mand met afval buiten dragen. En toen kreeg ik ook van het geweer. Anders heb ik nooit slaag gehad. Nooit.” 

Naar het houtterrein - Na de gedwongen afzonderingsperiode werden de Russische krijgsgevangenen die op 24 oktober 1942 in Beringen waren aangekomen, opnieuw onderzocht. Volgens de dokters was meer dan de helft ongeschikt voor het werk in de pijlers, maar van de Duitsers  mochten slechts een twintigtal gevangenen op de bovengrond aan het werk gezet worden. 

Elke ochtend brachten twee mijnwachters en een paar Russische begeleiders het ‘Krankenkommando’ (1) van het kamp naar het houtterrein. Ook Vasili Beljoekov mocht er naartoe, omdat zijn beenwonden nog niet genezen waren. In de wintermaanden van 1942-1943 werkten een veertigtal gevangenen in het houtpark.

Het houtterrein was omheind met prikkeldraad. De noordzijde grensde aan de ‘Statiestraat’. De Stationsstraat was de belangrijkste winkelstraat van Beringen-Mijn. De winkelrij lag aan de overkant van de straat. Phil Pelsers en zijn vrouw baatten er een kruidenierswinkel uit. Van de gevangenen die op het houtterrein rondliepen, doken er altijd een paar vanachter een houtstapel op, hopend dat een voorbijganger hen wat eten zou toestoppen.

Weer op zijn gewicht - Jeanne Pelsers: “De Russen in het houtpark gooiden hun zakske over de pinnekesdraad. De winkeliers van de Statiestraat staken er wat eten in en gooiden de zakskes terug. Trouwens, de werklieden van het houtpark kwamen ook naar den draad als ze iets uit de winkel nodig hadden. Wij brachten het dan de straat over. 

Jeanne en Elvire Pelsers, samen met Vasili Beljoekov, weer op zijn gewicht

 

Op een dag zag ik een Rus die heel mager was. Ik zei tegen Jean de garde: ‘Laat die eens tot bij den draad komen.’ Die Rus durfde dat niet, daar was hij te verlegen voor. Maar omdat hij zo’n honger had, deed hij het toch.

De volgende dag stond hij er weer. Om 10 uur gaf ik hem een liter melk met een paar boterhammen. ’s Middags bracht ik hem soep en patatten, een stukske vlees en een dessert als dat er was, of een appel. Ik keek naar links en naar rechts en op een ogenblik dat ik niemand zag, gaf ik het rap door den draad. En om vier uur kreeg hij weer een liter melk en een paar boterhammen.

Hij verschool zich achter ‘t hout en daar at hij het op. Of hij deelde het met zijn kameraden, dat weet ik niet. En als hij terug naar het kamp ging, was dat wuiven, zover hij me zien kon. Vasili, zo heette hij, was een vriendelijke jongen. Na enkele maanden was die helemaal veranderd. ‘Amai, die jongen ziet ge veranderen!’ Dat heeft madame Devos dikwijls gezegd.

Onze pa heeft de pinnekesdraad eens opengespannen. Zo konden wij erdoor kruipen om in het houtpark een foto te maken. Wij hadden  thuis een kodakske, een ferm boxke, dat hadden we geruild tegen punten van Kwatta-chocolade. Toen had ik, met rap voor die Rus een boterham te maken, oh, zo hard in m’n hand gesneden. ’t Was een diepe snee tussen mijn duim en wijsvinger.”

Vasili werkte van november 1942 tot en met januari 1943 op het houtterrein. Na deze periode had hij weer zijn normaal gewicht. In drie maanden was hij dertig kilo aangekomen! Heel wat meer dan de andere Russen. Hun gewicht steeg de eerste drie maanden van 1943 gemiddeld met vijf kilogram.  

Vasili’s ontsnapping “Ik werd voor de keuze gesteld, al was die beenwonde nog niet genezen: afdalen of terug naar Duitsland. Ik besloot hier te blijven. Met die wonde heb ik nog veel last gehad. Ge moest dat verzorgen en er was bijna geen verband. Maar links en rechts werd ik geholpen en zo is het toch gegaan.
Onder moest ik kool maken. Daar heb ik meer schrik uitgestaan dan aan het front. Dat is allemaal onderstipt met hout en dat kraakte door die druk vanboven. Schrik dat ik daar gehad heb! Ik heb nooit willen werken om veel kool te maken.        

Ik ben in Beringen gebleven tot 5 mei 1943. Na de middagpost ben ik er uitgetrokken. Normaal was ik het eind januari al afgestapt, maar ik ben gebleven tot het wat warmer was. Bij de infirmerie, aan de achterkant van de badzaal, was een deel van het gebouw met planken afgeslagen. Daarin liep een gang naar boven. Zo gingen we naar de kassen en zo daalden we af. Na de posten was dat ook de verzamelplaats van de Russen. Dat was een tamelijk grote ruimte, maar omdat we misschien wel met vijfhonderd man waren, zaten we er opeengepakt. Er waren een paar vensters die open stonden, want anders was het daar om te stikken van de hitte.

Ik had me gewassen, mijn soldatenkleren aangetrokken en was bij een venster gaan staan. Dat venster was niet overdreven hoog. Buiten passeerde een Duitse wacht. Die liep langs het gebouw, van de kolenwasserij naar de infirmerie, heen en terug. Ik liet hem voorbijgaan, wachtte nog wat en sprong door het venster. Buiten zat ik direct in het houtpark en daar kende ik de weg.
Een Rus kwam mij achterna. Die wilde absoluut met mij mee. Ik had dat niet gaarne. Hij heette Ivan, hij was ouder dan ik. Die had in Rusland negen jaar gevangenis gehad voor bandietenstreken.

Ik ging in de Statiestraat langs achter bij Pelsers binnen. Die mensen hadden meer schrik dan ik. Over mijn uniform trok ik burgerkleren aan. Een militair die krijgsgevangen genomen wordt, moet in uniform zijn. Dat zat er bij mij diep in. Mijn soldatenmuts gaf ik af als souvenir. Ik zei: ‘Als ze me doodschieten, dan weet ge dat hier ooit een Vasili geweest is.’
We zijn niet lang bij Pelsers gebleven. Ze gaven ons eten mee en dan zijn we vertrokken in de richting van Oostham. Ik was een paar keren met het werkvolk van het houtpark meegeweest, om daar een bos af te doen. Ik kende de weg.

In Wasseven - We zaten met vier ontsnapte Russen in een grote grachtkant, niet ver van de boerderij van Louis Mondelaers. Omdat het warm genoeg was om onder de blote hemel te slapen, hadden we geen hol uitgegraven. In het broek tegen de boskant hielden zich nog twee Russen schuil. Ik vond dat de groep die er verscholen zat, te groot was. Het werd daar te gevaarlijk. Daarom wilde ik weg uit Oostham.

‘Jongen’, zei een boer tegen mij, ‘ga naar Olmen, daar wonen veel boeren en daar zitten nog geen Russen.’ Hij legde mij uit welke weg ik moest volgen en met vieren meenden we naar Olmen te trekken. Maar toen kwam een man van de Witte Brigade mij vertellen dat ik in Wasseven moest blijven. In Beringen, in Hotel Moderne tegenover de mijn, was over mij gesproken en Edmée Deferme had tegen Jeanne en Elvire Pelsers gezegd dat ik in Oostham zat. Zij zouden mij komen bezoeken.
Ik vond dat veel te riskant en ik zei: ‘Hier blijf ik niet. Ik ga naar Olmen.’ Maar die man antwoordde: ‘Nee, nee, ge moet niet bang zijn.’ Daardoor ben ik gebleven.”

Razzia op dinsdag 11 mei 1943 - Zes dagen nadat Vasili Beljoekov  uit de mijn van Beringen ontsnapte, werden in Oostham twee Russen aangehouden. Tijdens een klopjacht, de nacht daarop, haalden de Duitsers twee Russen uit een veldschuur en pakten ze vier Belgen op. Die nacht is Vasili met zes man naar Olmen getrokken.

Maar ook daar leek het hem niet veilig en hij ging op verkenning in Balen. Omdat in Holven nog geen Russen verscholen zaten, groef hij er zich een schuilplaats. Landbouwer Victor Diels  woonde  in de buurt. Zijn vrouw hield een kruidenierswinkeltje.

Vasili’s nieuwe thuisLouisa Diels, de oudste dochter, vertelt: “Hoe ik Vasili heb leren kennen? De eerste keer dat ik hem zag, stond hij bij ons, achter tegen het huis. Hij was kaal geschoren. Ik gaapte hem aan. Nog nooit had ik ne Rus van dichtbij gezien. Ons moeder deed het woord. Ik bleef op afstand staan en keek hem zo maar wat aan. Enkele dagen later, tegen de donkerte aan, stond hij er weer. Hij bleef terugkomen.

Op een morgen kwam mijn moeder mij opzoeken in de schuur.  ‘Awel’, zei ze, ‘wat heb ik gehoord? Gaat gij dat menen met Vasili?’
‘Ja’, zei ik, ‘dat meen ik.’
‘Dan is het goed. Als ge hem maar gaarne ziet.’
Ik heb veel aan mijn moeder te danken gehad. Zonder haar steun was ik er nooit aan durven beginnen. Zij wist wat gaarne zien was, en dat heeft de doorslag gegeven. Mijn moeder had weinig ontwikkeling, dat was zo in die tijd, maar ze was een verstandige vrouw. Ze had het direct in Vasili gezien. Hij wist dat. Later zei ze altijd: ‘Potverdorie. Met hem ne boterham te geven, heeft hij er mijn dochter nog bij genomen!’”

Riskant maar onweerstaanbaar - Hoewel Vasili altijd met de nodige omzichtigheid te werk ging, kon niemand hem ervan weerhouden om nog eens naar Beringen te gaan. Hij wou zijn kameraden terugzien. Een van de zondagen waarop in de mijn gewerkt werd, reed hij samen met Louisa naar Roos Pelsers in de Stationsstraat. Toen de krijgsgevangenen van de middagpost voorbijkwamen, verschool hij zich in de winkel achter de toonbank om hen ongemerkt gade te kunnen slaan.

Een tweede keer stond hij in het gezelschap van Lucien Nulens tegenover de ingang van de mijn, enkele meters van de Duitse bewakers die langs de colonne liepen. Hij droeg een burgerpak en een hoed.
Louisa was er niet bij, zij is maar ene keer mee geweest. Ik dacht, de Russen verraden me toch niet als ze mij herkennen. Ik had alleen een beetje schrik voor de reactie van mijne barakoverste, Peter Polosin. Als altijd liepen de Russische officieren voor de colonne uit. Later heeft Peter me verteld dat hij mij herkend had. Maar hij was voor zich uit blijven kijken zoals de andere officieren.

‘Ik ga nog één keer,’ zei ik tegen Louisa, ‘ik wil de mannen in het kamp nog eens zien.’ ‘Ge zijt zot!’ zeiden ze allemaal. Maar ik had het goed overwogen. Toen werd er veel kool geraapt op den tris (2) naast het kamp. Soms was er wel honderd man bezig. Ik begon zogezegd ook kool te rapen en ging tot vlak tegen het kamp staan. Ik dacht, ze herkennen me toch niet tussen al dat volk. En ik zag de Duitse bewakers en de Russen in het kamp, waar ik een half jaar gezeten had.” 

Russen in het verzet – In 1943 werden krijgsgevangenen die ondergedoken zaten aan de Maaskant en de Noorderkempen verenigd tot een georganiseerde verzetsgroep ‘Voor het Vaderland’. Ivan Djadkin was de brigadecommandant. Ook in andere regio’s werden Russen aangezocht om toe te treden tot deze groep. Vasili kreeg de leiding over de ongeveer vijfendertig Russen die in de streek van Balen ondergedoken zaten. 

Daarnaast waren Russische emigranten die aan de mijn verbonden waren en anderen die in Brussel woonden overgegaan tot de oprichting van een beweging die zich het lot van de Ostarbeiter en de Russische krijgsgevangenen aantrok. Een Russische adellijke dame, mevrouw Wittouck, geboren princesse Hélène Scherbatow (3) hield zich vooral bezig met de activiteiten in Limburg. Zij verzamelde informatie over de Duitse compagnies die de kampen bewaakten, bood hulp aan zieke en gewonde Russen die in ziekenhuizen opgenomen waren en bracht persoonlijk geld en rantsoenbonnen naar haar medewerkers. Op een dag kwam ze aanfietsen bij de familie Diels in Balen.

Vasili’s operatie - “Ik heb onder de oorlog kennisgemaakt met een Russische prinses, een dame van adel die op een kasteel in Ukkel woonde. Zij was luitenant van het Rode Kruis. De wonde aan mijn been ging niet dicht, er zaten nog granaatscherven in. De prinses wilde me in Brussel laten opereren. Ze zou mij valse papieren maken en voor alles zorgen, maar ik betrouwde dat spel niet. Niet dat ik haar niet vertrouwde, maar ik kende de taal niet. En dan in Brussel. Ik durfde het niet riskeren. Ik heb me pas na de oorlog laten opereren.”

Vera, dochter van Vasili: “De operatie werd uitgevoerd door dr. Vandamme die eigenlijk gynaecoloog was. Het linkerbeen werd opengemaakt omdat daar tijdens de gevechten destijds geen tijd voor was geweest. Zijn rechterbeen was in het veldhospitaal primitief verzorgd. Er zaten nog twee vrij grote stukken van een granaatscherf  in. Eén tegen en één in het scheenbeen. Dat laatste vergde heel wat kapwerk. De operatie is gebeurd in het ‘Gasthuis’ in Balen.”

Vasili: “Dat is gebeurd in oktober of november 1944. Die specialist van Mol vroeg  2500 frank voor de operatie. Ik reed met Pousanovsky naar de Russische attaché in Brussel om geld te vragen. Daar kwam ik terecht bij luitenant-kolonel Sjoeksjin, hij was hoofdkolonel geworden. Direct na de bevrijding was die in Leopoldsburg de baas van de Russen. Hij begon van zijn neus te maken. ‘Gij weet zeker niet dat wij in goud moeten betalen?’
Ik zei hem: ‘De mens is meer waard dan goud.’ Dat waren woorden van Stalin. En hij betaalde.”

 

                  Vasili na de operatie
 

Na de bevrijdingsdagen – Na de bevrijding was een Sovjetrussische missie actief om de voormalige krijgsgevangenen in verzamelkampen onder te brengen. Sovjetofficieren die in het Russisch kamp soms brutaal of onredelijk waren geweest, bleken weinig enthousiast om naar het verzamelkamp in Leopoldsburg te gaan.

Toen Vasili er op een dag aankwam, zaten Peter Polosin en Michaïl Isakov met een man of acht  in een klein cachot achter de tralies. Peter riep: ‘Vasili, Vasili! Ze gaan mij fusilleren! Fjodor hebben ze al meegenomen.’

Fjodor  was een struise vent. Als barakoverste was hij een beest van een mens geweest. Hij droeg een brede officiersriem en als sommige krijgsgevangenen zijn goesting niet deden, sloeg hij met zijn riem erop los. Ik draaide mij om en ik zag twee Russen terugkomen: de eerste had zijn geweer en een paar botten in z’n handen. Ik dacht: godverdekke, ’t is nog waar ook! Ze hadden Fjodor een kot laten graven, hem gefusilleerd, z’n botten uitgetrokken en het kot dichtgegooid. Ik ging naar de commandant. Daar zaten een paar luitenanten en een militair nog hoger in graad dan kolonel. Zij hadden een soort krijgsraad opgericht.

Daar heb ik op de tafel geslagen. Ik vroeg: ‘Wat zijt gij eigenlijk van zin?’
Hij zei: ‘Ja, we  zijn al die mannen die in de mijn gewerkt hebben niet meer meester. De ene barakoverste heeft dit, de andere heeft dat gedaan. We hebben er ene laten fusilleren.’

Ik zei: ‘Gij blijft van die mannen af. In Rusland komen we allemaal voor ’t gerecht. Wij hadden ons niet gevangen mogen laten nemen.’ Dat wisten die kolonel en die luitenanten beter dan ik. Ik was maar sergeant. Toen zeiden ze niks meer. Dat is gebeurd na de bevrijding, een tijd voor de repatriëring.

Verscheurende keuze - Dat is mijn grootste strijd geweest: kiezen tussen hier blijven of teruggaan. Toen ik in februari 1942 opgeroepen werd, leefde mijn moeder nog. Ik had een fantastisch goede moeder, die had nooit een vlieg zeer gedaan. Liefde voor uw moeder, dat is liefde, die kunt ge nooit wegcijferen. Dat heeft achter mij gezeten om terug te gaan. Ik wilde teruggaan om mijn moeder te helpen.

Toen kwam Pousanovsky en ik vertelde hem dat ik terug wou gaan om mijn moeder en mijn zuster te helpen.
‘Hoe oud is uw moeder?’ vroeg hij.
Ik zei: ‘67 jaar.’
‘Stel u voor’, zei hij, ‘gij komt in Rusland en ze steken u voor 5 jaar in een kamp om opnieuw gewend te raken aan het communistisch systeem. Uw moeder is misschien gestorven als gij thuiskomt. Gij hebt nog een heel leven voor u en dat gaat gij opofferen?’ ”

Het viel Vasili zwaar om afscheid te nemen, maar toen de dag van de terugkeer aanbrak, vertrok hij met de trein naar het repatriëringskamp in Brussel. Een trein van het Rode Kruis bracht hem de volgende dag naar een kamp bij Charleroi.
Op 12 augustus reisde hij met een groep gerepatrieerden af met bestemming Rusland. In de Russische bezettingszone werd hij naar het verzamelkamp van Torgau aan de Elbe gevoerd en daarna overgebracht naar een kamp bij Zerbst.

In de Russische bezettingszone - “We werden bij het leger ingelijfd. We kregen wapens en moesten de grens bewaken: Engelsen aan de ene kant, wij aan de andere kant. We hebben een tijd in Schierke-am-Harz gezeten. Ik heb toen brieven naar huis geschreven. ’t Is te zeggen, geen brieven want die worden gecontroleerd. Ik schreef zichtkaarten, die bekijken ze niet. Daar is niet veel plaats op om te schrijven, maar ge kunt toch veel vertellen. Ik schreef naar mijn familie, naar al mijn zusters en naar mijn moeder.

Op een dag moesten we onze wapens afgeven en trokken we verder op Tsjecho-Slovakije aan. Onze colonne had zeker twintig kilometer gemarcheerd.
Toen betrouwde ik het niet meer. ’s Avonds heb ik me met Genka (Gennadi Soeskin) en nog ne Rus aan de kant gezet en zijn we terug naar de plaats gegaan waar we de grens bewaakt hadden. Ik wist waar ik over de grens kon. De hele dag hebben we daar in de bossen tussen de rotsen gezeten. Toen de nacht inviel, zijn we de grens overgestoken.

Terug naar België - Ik had nog wat geld. Terug in de Engelse zone kocht ik drie treinkaartjes tot Aken. Maar de correspondentie was slecht, de trein reed maar tot München-Gladbach. We kwamen er ‘s avonds aan en de eerstvolgende trein was ‘s morgens om vijf uur. ’s Nachts mocht niemand in de statie blijven, maar dat wisten we niet. De Duitse politie, zonder wapens of iets, kwam ons zeggen dat we moesten vertrekken. Omdat wij niet weggingen kwamen ze terug met twee Engelse MP’s. Die namen ons mee naar hunne bureau. Ik zei dat ik Belg was, ik had mijn valse pas nog. De twee andere Russen moesten in het Nederlands tot tien tellen.
‘Ja’, zeiden de Engelsen, ‘dat zijn Vlamingen.’

In de plaats waar we moesten gaan slapen, zaten van alle nationaliteiten: Fransen, Hollanders en ook een paar Walen, maar die kenden geen woord Nederlands. Op den duur begonnen we Russisch te praten. Een van die mannen ging tegen de MP’s zeggen dat wij geen Vlamingen, maar Russen waren. De militairen kwamen terug en in plaats van ons vrij te laten, leverden ze ons aan de Russen uit.
‘Dat zijn deserteurs’, zei die Engelsman tegen de Russische majoor die instond voor de verzameling van de Russen in Duitsland. Maar die Rus snapte er niks van, die verstond alleen Russisch.
‘Wat zegt die over deserteurs?’ vroeg hij mij.
Ik begon uit te leggen dat wij in België vertrokken waren en in Berlijn wilden geraken, om rapper thuis te zijn. En dat we maar tot in München-Gladbach geraakt waren. Ik vertelde hem dat wij als krijgsgevangenen in België in de koolmijn hadden gewerkt en zo meer en hij nam dat aan.

We werden 150 km verderop naar een verzamelkamp gebracht, waar mannen en vrouwen zaten die terug naar Rusland wilden. We hadden geluk: er was juist een konvooi vertrokken. We zaten er maar met een paar man. We moesten in een Duitse kazerne slapen en kregen er een kamer voor ons drieën. ’s Nachts maakten we de deur vast. We sprongen door het venster en pakten ’s morgens de trein naar Aken. Tegen de avond kwamen we daar aan. Wij riskeerden het niet van in de statie te blijven en gingen in een kapotgeschoten huis slapen.

Weer thuis! -  Ik vroeg aan een Duitser de kortste weg naar België. Hij zei dat we over Holland moesten gaan en hij legde schoon uit welke weg we moesten nemen. Maar twee grenzen passeren vond ik nogal gevaarlijk. Genka en ik zijn toen te voet naar Moresnet gegaan. De andere Rus is in Duitsland gebleven. Over de grens konden we de trein pakken en zo geraakten we in Luik. Ik had nog een beetje Belgisch geld, juist genoeg voor één treinkaartje tot Hasselt, maar dan moest ik Genka achterlaten en dat wilde ik niet. 

Ik was ne keer met Louisa in Luik geweest om een nonneke te bezoeken, dat familie van haar was. Gelukkig heb ik een goed geheugen, ik wist nog het nummer van de tram en de halte waar we toen waren afgestapt. Ik liet mijn kameraad wachten en pakte de tram naar het klooster. Het was al donker en ik moest drie keer bellen voor ze kwamen opendoen. Ik vroeg naar zuster Anna, maar die had geen geld. Een andere zuster wilde mij geld geven zodat ik thuis kon geraken, maar Moeder Overste moest de toestemming geven en die was niet akkoord. Zij was al te dikwijls bedrogen geweest. Op den duur kreeg ik toch 100 frank.

We pakten de tram tot Tongeren en daarna tot Hasselt. We hadden nog juist de laatste trein naar Mol, de mijnwerkerstrein. Tijdens onze vlucht hadden we aan een kiosk in Duitsland een landkaart gekocht waarop de bezettingszones waren aangeduid. Onderweg had Genka de kaart gebruikt om er sigaretten mee te roken. Toen wij thuiskwamen schoot er alleen nog een stukske van België over. De rest had hij allemaal opgerookt.
In Balen stapten we af. Om 12 uur was ik thuis. Alles was achter de rug.”

Louisa: “Ik zie hem nog binnenkomen. Hij viel in de zetel neer. ‘Eindelijk kan ik mijn schoenen uitdoen’, zei hij. Dagen en nachten had hij zijn kleren aangehouden. Dat was met Allerzielen, de 2de november 1945.”

De Repatriëringscommissie actief - Weer in Holven vroeg Vasili zich af hoe hij aan de kost kon komen. Wat moest hij aanvangen zonder verblijfsvergunning? Omdat er een groot tekort aan mijnwerkers was, mochten Displaced Persons (4) in het land blijven op voorwaarde dat ze in de mijn gingen werken. De politiecommissaris van Koersel bezorgde Vasili een vergunning voor drie maanden. Daarna kon hij een verlenging aanvragen.
Maar in het voorjaar van 1946 was de Russische opsporingscommissie nog altijd op zoek naar achtergebleven krijgsgevangenen. NKVD-agenten (5), vergezeld van rijkswachters, kwamen op een dag in Beringen-Mijn aan. 

“Toen ik mijn nummer ging halen om af te dalen hield ne garde mij tegen. Ik moest op de bureau van de chef-garde komen. Ik wist niet waarom, maar ik voelde dat er iets niet in orde was. Ik dacht: als ik de kans krijg, ben ik weg. Toen kwam een NKVD’er met twee rijkswachters binnen. Ze hadden al een paar Russen opgepikt. Ik liep naar de achterdeur die op een kier stond.
‘Waar gaat gij naartoe?’ vroeg de NKVD’er.
‘Ik ga mijn burgerkleren aantrekken’, zei ik. Ik had mijn werkkleren al aan om af te dalen.
‘Die kunnen ze nabrengen’, zei hij.

De kans om er vanonder te trekken was verkeken. We moesten mee naar de bureau van de gendarmerie in Beringen. Die Russische agenten uit Brussel hadden geen arrestatiebevel bij. Commissaris Nelissen wist niet goed wat hij met ons moest aanvangen, hij bleef maar in zijn papieren blaren.       
Op den duur bracht hij ons naar Brussel, maar in plaats van ons in het gebouw op de Champs Elysées aan de Russen uit te leveren, ging hij met ons naar een leegstaand knopenfabriek in Ukkel. In die verzamelplaats zaten allerlei nationaliteiten: Duitsers, zigeuners, Polen en ook Russen.

In de knopenfabriek - Op het tweede verdiep hadden ze vijftien Russen in een kamer van vijf op vijf gestoken. De gendarmen die ‘t fabriek moesten bewaken, zegden: ‘Die Russen kunnen we hier niet houden. Ze knopen dekens aan mekaar en gaan ervandoor!’ Het raam was van ijzer. Ik had de stopverf al weggedaan en ik was van plan om het glas eruit te halen. Intussen waren Louisa en haar broer naar Brussel gekomen om mij te bezoeken. Omdat ze me op de Champs Elysées niet vonden, kwamen ze in Ukkel aan. Een Russische emigrant bracht hen in contact met mevrouw Georgette Ciselet, een liberaal senator. Ze beloofde Louisa te helpen.

Een afgevaardigde van het Ministerie van Vreemdelingenpolitie kwam op bezoek en die gaf me de pap in de mond. ‘Zeg dat uw lief in verwachting is’, zei hij, ‘dan kunnen we u hier houden.’ Dat was maar een woord. ’s Anderendaags bracht Louisa mij andere kleren, want ik liep nog rond in mijn werkpak van de charbonnage. Ik zei haar dat ze aan de dokter een briefje moest vragen waarop stond dat ze in verwachting was. Dat zou ze met plezier doen.
Ze ging naar haar huisdokter, maar die durfde dat risico niet nemen.

Toen ze me dat de volgende dag vertelde, dacht ik: nu moet ik niet langer wachten. Maar we werden streng bewaakt. Buiten stonden altijd gendarmen en de deuren en vensters bleven gesloten. In het begin mochten we niet eens naar de toiletten. Speciaal voor ons hadden ze een wc-emmer op de kamer gezet. Als ze Russen naar de toiletten lieten gaan, gingen ze vluchten. Dat wisten die gendarmen. Door de tussenkomst van die mevrouw Ciselet was in een Franstalige krant een artikel over dat knopenfabriekje verschenen. Vanaf die dag mochten we naar beneden komen om een kwartiertje op de cour rond te lopen en naar de pissijn te gaan.

Naast de pissijn was een plaats waar in de tijd dat die fabriek nog werkte, jongens en meisjes hun handen konden wassen. Er stond een lange bank, en de muur was ongeveer drie meter hoog. Erbovenop staken glasscherven in beton. Ik dacht als ik die bank tegen de muur zet, dan ben ik er direct over. Met drie man zijn we gaan vluchten. Ik had me wel geschramd met over die muur te kruipen, er was wat bloed aan de kraag van mijn hemd, maar alles bij mekaar was het goed afgelopen. Ik wist dat de moeder van Louisa naar Brussel zou komen. Ik ging naar het Noordstation en daar zag ik haar.
‘Wat nu?’ vroeg ze.
Ik zei: ‘Ja, wat nu?’

Hulp van de prinses - We gingen naar Pierre Kriloff, een Russische emigrant die in Brussel woonde. Wij reden met de tram ernaartoe.
‘Ga naar de prinses’, zei hij. ‘Die zal u wel aan papieren helpen.’ Hij legde ons uit welke trams we moesten nemen en met welke tram we tot de laatste halte moesten rijden. ‘Ga daar het bos in, dat is het Terkamerenbos. Daar staat een groot kasteel’, zei hij. Maar voor mij waren dat allemaal kastelen. Ik wist niet hoe groot het  kasteel van de prinses was en ik wist het nummer niet, niks.
‘Hier zou het kunnen zijn’, zei de moeder van Louisa. Wij, boertjes van de buiten, waren nog maar pas de poort binnengegaan of de portier kwam naar ons toe. ‘Zonder bellen moogt ge niet binnenkomen’, zei hij.

Dat wisten we natuurlijk niet. We vroegen naar het kasteel de la Reine , zo heette het, geloof ik. Toen werd die man wat kalmer. ’t Was ne Vlaming. Hij begon uit te leggen hoe we ernaartoe konden gaan, waar we moesten aanbellen, dat de portier een gepensioneerde rijkswachter was en zo. Hij wist er alles van. Het was een kasteel met een ommuurd park, acht hectaren groot. We werden direct binnengelaten en ik mocht er blijven. ‘Hier moet ge niet bang zijn’, zei de prinses, ‘de portier is een gendarm. Hier kan u niets overkomen.’

Op dat kasteel, 17, Drève de Lorraine in Ukkel, ben ik vijf weken gebleven, tot mijn papieren in orde waren. Ik ben zelf naar het Ministerie van Vreemdelingenpolitie moeten gaan. Ik werd ontvangen door de eerste secretaris. Hij gaf me een document en daarmee ben ik in België kunnen blijven.”

Een verblijfsvergunning -  Vasili ging terug naar de mijn, hij had geen andere keuze. De tekst in het Staatsblad liet er geen twijfel over bestaan. Op de verblijfstitels in België moet duidelijk vermeld staan: Mag in het land verblijven mits in de mijnen te werken. Wie van beroep verandert zonder vooraf toelating te hebben ontvangen, stelt zich bloot van uit het Rijk te worden gezet.

“Ik heb in de put gewerkt tot in 1952. Daarna kon ik in Balen-Wezel in het poederfabriek gaan werken, maar dan vond ik het in de put nog beter. Ge kunt er geen adem krijgen van de damp die naar beneden valt. Ik dacht om in de lucht te vliegen, is het nog tijd genoeg. Toen kreeg ik werk in een houtzagerij. Na een tijd ging het daar minder goed en moest ik gaan doppen.

Maar we hadden bouwgrond gekocht en ons huis was gezet en moest afbetaald worden. Ik had eens gezegd: als ik terug in de put moet gaan werken, dan hang ik mij op. Maar ik zat zonder werk en toen ben naar de put in Houthalen gegaan.

In 1957 ben ik begonnen met kiekens te kweken en veevoeders te verkopen. In het begin heb ik het heel moeilijk gehad. Na een tijd ging het beter en heb ik mijn zaak kunnen uitbreiden. Ik mag niet klagen. Ik heb goed verdiend, maar ik heb er hard voor gewerkt.”

Gelukkig toeval - Op 3 februari 1942 had Vasili in Boetakovo afscheid genomen van zijn moeder. De beelden uit zijn kinder- en jeugdjaren waren sindsdien onveranderd gebleven. Terwijl in Holven de jaren voorbijgingen, bleef Vasili zich afvragen hoe het leven van zijn moeder, zijn broers en zusters verder was verlopen. Sinds hij naar het front was gegaan had hij van zijn familie niets meer vernomen. Had zijn moeder de ansichtkaarten uit Schierke-am-Harz ontvangen? Wist ze dat hij de oorlog had overleefd? Hoewel het verdriet aan hem knaagde, durfde hij niet naar huis te schrijven, uit vrees dat hij daardoor zijn familieleden in moeilijkheden zou brengen. Door een gelukkig toeval kwam daar verandering in.

Als lid van Fotoclub Beringen kwam ik (6) in contact met Aleksandr Nazarov, een Russische amateur-fotograaf uit Penza. In 1991 kwam Aleksandr op bezoek. Een jaar later reisde ik samen met Paul Janssen als tolk naar Penza. Volgens Russische normen was de afstand van Penza tot Boetakovo ( 350 kilometer ) slechts een hanestap. We zochten de Beljoekovs op en na vijftig jaar hadden beide families weer contact met elkaar.  

     
(1) Groep arbeidsongeschikte Russische krijgsgevangenen (zieken en gewonden).
(2) Terril, steenberg nr.2
(3) Jelena Stjsjerbatova was gehuwd met Michel Wittouck die een belangrijke functie waarnam bij de Tiense Suikerraffinaderij.
(4) Mensen die tijdens de Tweede Wereldoorlog uit hun land waren verdreven of het     ontvlucht waren.
(5) Afkorting voor het toenmalige Sovjetrussische  Ministerie van  Binnenlandse Zaken dat ook voor de staatsveiligheid instond.
(6) Auteur van het boek
    
    
Albert Geeraerts - Nelly Lecocq (Getuigenis Boek blz. 327-357

Albert Geeraerts werd in 1921 geboren te Saint-Nicolas. Zijn vader werkte in een Luikse mijn. Toen in de jaren dertig de mijn door de economische crisis gesloten werd, vond vader Geeraerts werk in de koolmijn van Beringen. Het gezin verhuisde naar de Vurtense Weg in de cité. Albert was toen acht jaar en volgde bij Nestor Billy de lessen in het Frans. Aan de lagere school in de Alfred Habetslaan werden vanaf 1929 Vlaamse kinderen in het Nederlands en Franstalige kinderen in het Frans onderwezen. Voor de veertienjarige Albert was de overgang van het Franstalig onderwijs in de Habetslaan naar de vakschool van de Broeders van Liefde in Tessenderlo een hele aanpassing. Tijdens het laatste schooljaar, op 10 mei 1940, brak de oorlog uit.

Eerste kennismaking met de Duitsers - Vanaf de eerste oorlogsdag werden de werfreserves gemobiliseerd: ook alle jongens  vanaf zestien jaar uit Beringen-Mijn moesten zich naar Eekloo begeven. De snelle opmars van de Duitse legers verplichtten duizenden jongeren om naar Noord-Frankrijk uit te wijken. De meesten geraakten amper over de grens. Tankeenheden van generaal Guderian waren nabij Sedan door de Franse linies gebroken en hadden na 10 dagen de Kanaalkust bereikt. Tijdens deze verrassende doorbraak werd Albert in de buurt van Hazebrouck door granaatscherven aan rug en linkerschouder gewond en voor verzorging in een veldhospitaal opgenomen. Weken na de capitulatie van het Belgische leger kwam hij thuis. Nadat hij volledig hersteld was, begon hij in de zomer van 1940 op de mijn als magazijnier in de ondergrond.

Stockmeter en tolk - Toen de Russische krijgsgevangenen in de pijlers aan het werk gingen, werd Albert als stockmeter aangesteld. Hij probeerde zoveel mogelijk Russisch te praten. “Daar waren mannen bij die weinig of niks deden en anderen die hard werkten. Ze kregen sigaretten en een bijrantsoen of zoiets navenant ze werkten. Ik probeerde het zo te regelen dat niemand gestraft werd. Ik moest wel zorgen dat ik ongeveer het aantal berlengs (kolenwagens) opgaf die ze van de pijler trokken. De bazen hebben me wel een paar keer op de vingers getikt omdat mijn gegevens niet juist waren. Maar ik deed het om goed te doen.” Albert die aanleg had voor talen, leerde gauw een mondvol Russisch praten. Na zes maanden sprak hij vlot met de krijgsgevangenen en werd hij gevraagd om als tolk met de Duitse mijninspecteur  mee te gaan.

“Om niet omhoog te moeten kruipen gingen we op 727 af en lieten ons in de bakken naar onder schudden. We hadden allebei een koperen lamp zoals de chef-porions. Van de Russen die in de pijler werkten, zaten er gewoonlijk een paar te slapen of niks te doen. Daarom probeerde ik altijd als eerste in de schudgoot te zitten. De Duitse mijninspecteur Meyer wist dat. Hij zei tegen mij: ‘Albert, zet u maar op kop, dan kunt gij die mannen wakker maken.’  Ik ging in de bak zitten, zette de lamp voor mij neer en dan riep ik: ‘Tovarisjtsj, ostorozjno, on za mnoj!’ (1) En dan begonnen die Russen direct verder te pikeuren en te schuppen. Meyer is moeten weggaan. In zijn plaats is Stoll gekomen. Met Stoll ben ik nooit mee moeten gaan. Ik was weer stockmeter.”

Dynamiet voor de Ardennen - Door toedoen van onderwijzer Nestor Billy sloot Albert zich aan bij ‘Refuge Byl’, een Waalse verzetsafdeling van het Geheim Leger. Hoe de organisatie heette, kwam hij pas na de oorlog te weten. Ook Maurice Lecocq, de hoofdmarkeerder van de ondergrond en zijn dochter Nelly, receptioniste en telefoniste op de mijn, waren lid van deze groep. Een van de belangrijke opdrachten was het doorsluizen van Russische krijgsgevangenen naar de Ardennen.

Maar Maurice Lecocq hielp niet alleen de Russen. Terwijl de Duitsers op het bureau van de markeerders het register van de ochtendploeg controleerden om na te gaan welke Belgen dikwijls onwettig afwezig waren, werkte hij de aanwezigheidslijsten van de andere ploegen bij. Zo ontsnapten zijn arbeiders aan de verplichte arbeidsdienst in Duitsland.

Af en toe gingen Albert en Maurice dynamietpatronen halen in de mijn. “Als ik zo’n vijftien à twintig kilo had, deed ik de cartouches in een houten kist. Die waren bestemd voor de Ardennen. Daar saboteerden ze spoorwegen mee en trams die mijnhout vervoerden.
Ik heb ne keer of drie voor dynamiet gezorgd. Met die kist achter op mijne velo reed ik naar de statie van Houthalen. Ik stuurde dat altijd op als ‘outillage’. Die kist bleef in Harre op de post liggen als poste-restante, tot een verzetsman die contact had met de bediende, ze kwam ophalen.”

Ouders ongerust - Virginie Emmens, moeder van Albert: “Dat onze Albert zich daarmee bezighield, daar wisten wij niks van. Tot we op n’n avond bezoek kregen van ene met lang zwart haar en met ne donkere bril op. Dat was Bert van ’t Boerke (2), maar ik kende die niet en mijne man kende die ook niet. Hij vroeg: ‘Is Albert thuis?’
Nee, Albert is niet thuis.’
‘Wanneer komt hij thuis?’
‘Dat weten we niet.’
‘Heeft hij hier geen passen gereedgelegd?’
‘Passen?’ zegden wellie. ‘Nee, nee.’
‘Ik moet nog bij iemand zijn’, zei hij, ‘in de straat aan den Tap. Dan ga ik daar maar naartoe.’
‘Ja’, zeiden we, ‘wij weten van niks.’ Wij wisten ook van niks.
Mijn man was bang. ‘Ik ga niet slapen zulle, zolang onze Albert niet thuis is. Ik moet weten wat dat wil zeggen.’
‘Dan ga ik ook niet’, zei ik.

Wij bleven op tot hij thuiskwam. We zeiden: ‘Wel jongen, wat is dat allegaar? Die man komt voor passen en welle weten van nikske. Wat zijt ge van zin?’
‘Daar moet ge niet bang voor zijn’, zei hij.
‘Ja maar ’, zei die van ons, ‘dat kan allemaal aardig aflopen. ”

Naar de Ardennen - De bosrijke streken van de Ardennen boden ideale schuiloorden voor werkweigeraars  en onderduikers. Verzetsorganisaties hadden er een ondergronds netwerk uitgebouwd. Sabotages en aanslagen op houtzagerijen, opslagplaatsen en houttransporten bemoeilijkten de aanvoer van stutbalken voor de mijnen. Dit had in de herfst en de winter van 1943 nadelige gevolgen voor de steenkoolproductie. De Duitsers hielden regelmatig razzia’s om aan de verzetsactiviteiten een einde te maken. Ook Russische krijgsgevangenen, ontsnapt uit de Limburgse mijnen, werden naar de Ardennen overgebracht om actief aan het verzet deel te nemen. Het doorsluizen van Russen via de ontsnappingsroutes hield echter grote risico’s in.

Op een dag vroeg Nestor Billy aan Albert of er soms Russen waren die zich bij de weerstand in de Ardennen wilden aansluiten. Onderwijzer Billy, afkomstig van Ferrières, stond in verbinding met de gebroeders Collard, houthandelaars in Harre. Hij was een belangrijk tussenpersoon. Vier Russen die als tolk met de stockmeters afdaalden, gingen akkoord met het voorstel.

Elke Rus had een burgerpak, een identiteitskaart en een werkpas nodig. Maurice Lecocq zorgde voor paspoorten en werkpassen, Albert en Pousanovsky voor burgerkleren. Op het houtterrein maakte Nelly Lecocq een foto van elke Rus. Ze liet de film ontwikkelen en bracht de pasfoto’s naar Billy die op de valse paspoorten de namen invulde en de vereiste stempel zette.

Albert Geeraerts: “Als de stockmeters ’s morgens de Russen op hun plaats hadden gezet, kwamen ze met hunne tolk naar boven. Ik droeg mijn papieren naar de bureau van de markeerders en ging naar huis. Ik kwam terug met een tas vol kleren. Een voor een pakte ik de Russen mee naar de badzaal. Daar werd een kostuum uitgekozen van Pousanovsky of van mij, naargelang de grootte. Als alles in orde was, werd er met de Ardennen afgesproken wanneer die mannen konden komen.”

De ontsnappingslijn - Op woensdagavond, 29 september 1943, vertrok Albert met Jefim Koerilov, Gennadi Kozjedoeb, Konstantin Sokolov en Nikolaj Jermakov. Ze volgden het pad naast de spoorweg tot aan het station in Beringen. Omstreeks 21 uur kwam de mijnwerkerstrein in Beringen-Mijn aan. Die trein reed via Beringen, Zolder en Houthalen naar Hasselt. Vooraf was Albert in het station van Hasselt vier retourbiljetten Hasselt-Beringen gaan halen. Bij een eventuele controle zouden de Duitsers niet vermoeden dat deze vier mannen vanuit Beringen vertrokken waren. Koerier Louis Ceulemans van Beringen-Mijn was uit Harre gekomen en in Beringen van de trein gestapt om hen op te wachten. Hij zou ze verder naar de Ardennen brengen.

Omdat het al laat was toen de trein in Hasselt aankwam, overnachtten de Russen in de Toekomststraat nr.52 bij Camille Feron, eerste ingenieur bij de spoorwegen in Hasselt.  De volgende dag, vroeg in de ochtend, bracht hij ze naar de tramhalte op de Luikersteenweg, vanwaar ze met koerier Ceulemans via Tongeren naar Luik vertrokken. Om 14 uur namen ze de tram naar Comblain-au-Pont. Het laatste stuk, tot de bossen van Harre, liepen ze te voet. Daar werd het viertal in de verzetsgroep Byl opgenomen. Een paar dagen later kreeg Albert een telegram: ‘Les quatre chats noirs sont bien arrivés’. Hij kon opgelucht ademhalen. De vier Russen waren veilig op hun bestemming aangekomen.


Links staande, de vier ontsnapten uit Beringen
Jefim Koerilov, Gennadi Kozjedoeb, Konstantin Sokolov, Nikolaj Jermakov

Razzia in de Ardennen - In het voorjaar van 1944 ontving Albert een tweede telegram: ‘Un des quatre chats noirs est blessé’. Hij vroeg zich af wat er gebeurd kon zijn. Hij zou het vlug te weten komen.
Een infiltrant  had de Duitsers de schuilplaats van de maquisards aangewezen: een geïsoleerde villa, gekend onder de Waalse naam ‘Li mohone ès bwès’ - het huis in het bos -  gelegen in Harre tussen het gehucht Fays en de kerk Saint-Antoine. Op 26 februari 1944 vertrok vanuit Fays een Duitse compagnie infanterie, gewapend met automatische geweren en mortieren. Gelijktijdig reed een gemotoriseerde troep in de richting van Saint-Antoine om vluchtende partizanen de pas af te snijden. Die dag bevonden zich in de villa een twintigtal verzetsstrijders. Ze waren gewapend met jachtgeweren en revolvers en beschikten over twee automatische geweren. Hiermee werd het eerste Duitse voertuig tot staan gebracht. Boris Zjoekov, een student in de geneeskunde, offerde zich op om de aftocht van zijn kameraden te dekken. De omsingeling kon doorbroken worden, maar vijf verzetslui, een Amerikaanse piloot, een Luxemburger, een Joegoslaaf, een Nederlander en een Rus, werden gedood. Na een laatste treffen op 29 februari bij Rouge Minière, ontsnapte de groep onder leiding van Gennadi  Kozjedoeb aan de achtervolging van de Duitsers.

Tijdens deze razzia  werd Jefim Koerilov, een van de vier Russische krijgsgevangenen uit Beringen, in de hiel geschoten. De Duitsers voerden hem naar de Saint-Léonard gevangenis in Luik. Agenten van de Sicherheitsdienst verhoorden en folterden hem tot hij bekende vanwaar hij gekomen was en wie hem geholpen had.

De arrestaties - Bij de geallieerde luchtbombardementen op spoorwegemplacementen in het voorjaar van 1944 bleef ook Hasselt niet gespaard. Wegens het toenemende gevaar had ingenieur Feron zijn vrouw en twee kinderen naar familie in een veilig dorp nabij Hannut gestuurd. Hij was alleen thuis toen in de nacht van 19 op 20 april  een troep schreeuwende Duitsers bij zijn buren binnendrong. Daar werd het gezin Cosemans tegen de muur gezet. Een vergissing, zo bleek. De Duitsers zochten  het echtpaar bij wie zeven maanden tevoren vier Russische krijgsgevangenen hadden overnacht. Zodra ze hun vergissing inzagen, stormden ze naar het aanpalende huis.

Camille Feron vroeg zich af wat het aanhoudende gebons op de voordeur betekende. Toen hij ze opendeed, stond hij oog in oog met twee leden van de Gestapo, het geweer in de aanslag. De reden van hun gewelddadig optreden werd hem pas duidelijk toen ze hem bij een geketende, zwaar mishandelde jongen brachten: een van de vier gevluchte Russische krijgsgevangenen die hij een nacht onderdak had verleend. Nadat de soldaten die tevergeefs  op zoek waren gegaan naar mevrouw Feron de woning hadden uitgekamd, werd Camille Feron naar de gevangenis in de Martelarenlaan gevoerd.

Albert Geeraerts opgepakt - De agenten van de Geheime Feldpolizei reden naar hun volgende slachtoffer. Onder leiding van Gerard Vandistel kwamen die ochtend omstreeks halfvijf  in Beringen-Mijn drie  vrachtwagens de Vurtense Weg ingereden. Albert Geeraerts werd van zijn bed gelicht en geconfronteerd met Jefim Koerilov, die met kettingen geboeid was binnengebracht. Het gezicht van de jonge Rus was zo kapotgeslagen dat Albert hem nauwelijks herkende. Koerilov wees Albert aan als de man die hem had helpen ontsnappen. De Geheime Feldpolizei reed naar de Schoolstraat om ook Louis Ceulemans op te halen. Maar de koerier was niet thuis, hij zat op dat ogenblik in de Ardennen.

Vader en dochter Lecocq aangehouden -  Omdat Albert beweerde dat hij niet wist waar Nelly Lecocq woonde, reden de GFP-agenten onmiddellijk naar de mijn. Een wachter werd gedwongen om mee te gaan naar de woning van het gezin Lecocq op het Kioskplein. Toen de agenten het oudste meisje aanwezen en vroegen of zij Nelly was, schudde de Rus het hoofd. Hij deed of hij haar niet herkende. Haar vader, Maurice Lecocq werd onmiddellijk meegenomen. Hij kreeg amper de tijd om zich aan te kleden. Twee dagen later, in de nacht van 22 april, kwamen de Duitsers terug om ook Nelly Lecocq op te halen. Intussen had zij Nestor Billy kunnen verwittigen. De man vertrok onmiddellijk naar zijn dorp in de Ardennen en dook onder.

Jaak Eerdekens, eerste markeerder op de dienst van Maurice Lecocq, was op de hoogte van de verzetsactiviteiten van zijn chef. Hij wist onder meer in welke kast blanco paspoorten verborgen zaten. “Ik was juist in congé. Ik ben toen naar de put gereden. Ik zei tegen ingenieur Bernard: ‘Potverdomme, die kunnen hier ook nog komen zoeken. Op de bureau in de cassetten zitten al die valse paspoorten. Gaat gij af? Pak ze mee. Ze zijn een binnenput aan het toemaken. Daar worden stenen ingekapt. Gooi de paspoorten erin, dan kunnen ze er nooit meer aan. Daar zitten die nu nog altijd onder de stenen. Een heel pak blanco paspoorten. Die kreeg Maurice altijd van ene van Koersel. Daar was ne Coenen onderwijzer en die zijne zoon zorgde daarvoor. Die zat in het verzet.”

Had Jefim Koerilov zich met opzet van woning vergist in de Toekomststraat om Camille Feron de kans te geven om te gaan vluchten? Had hij Nelly bij de confrontatie niet willen herkennen, zodat ook zij nog zou kunnen  onderduiken? Vragen die voor altijd onbeantwoord blijven.

Nadat Jefim Koerilov tot bekentenissen was overgegaan en zijn helpers had aangeduid, werd hij op 9 mei 1944 gefusilleerd. Hij ligt begraven op de begraafplaats van de Citadel in Luik.

In de gevangenis van Hasselt - Tussen de gevangenis aan de Martelarenlaan en de Dusartkazerne hadden de Duitsers een herenhuis gevorderd. Twee bewakers, de mitraillette op de gevangene gericht en met twee schepershonden aan de lijn, brachten de vier gearresteerden om de beurt ernaartoe. De ondervraging gebeurde door een paar Duitse officieren, geassisteerd door een Vlaamse SD’er (3). De vier gevangenen werd een zwaar vergrijp ten laste gelegd. Zij hadden hulp geboden aan een terroristische organisatie, een samenraapsel van vreemdelingen die twee maanden geleden in de Ardennen Duitse soldaten hadden gedood. Waarom deden zij daaraan mee? Waarom hielpen ze de communisten?

Albert Geeraerts probeerde de ondervragers wijs te maken dat hij duizend frank kreeg voor elke Rus die hij wegbracht. “Ik zei dat ik het deed voor het geld.  Ik ben altijd blijven loochenen dat ik bij de weerstand was. Daardoor heb ik veel slagen moeten incasseren. De beulen hadden hun ceintuur, waarin ‘Gott mit uns’ gegraveerd stond, voor zich op tafel liggen. Naast de kamer waar het verhoor werd afgenomen, zat een bediende aan de schrijfmachine om het procesverbaal uit te tikken. Dat moest dan getekend worden. Drie weken duurde het verhoor. Toen wisten ze ongeveer hoe alles verlopen was.”

Moeder en zuster op bezoek - Bezoek was toegelaten op woensdagmiddag tussen drie en vijf uur. Wie een gevangene wilde bezoeken moest eerst bij de Feldkommandantur een vergunning gaan halen. 

“ ‘In het begin’, vertelt Virginie Emmens, moeder van Albert, ‘toen onze Albert nog in Hasselt was, ben ik met ons Madeleine hem gaan bezoeken. We namen wafels mee die we gebakken hadden. We mochten ze afgeven. We vroegen of we onze Albert mochten zien. ‘Nee’, zei de bewaker, ‘ge moogt hem niet zien. En pas maar op voor uwe andere zoon, want die is ook niet heel reinig.’
Ik zei stillekes tegen mijn dochter: ‘Nu dat nog.’ Dien Duits deed lelijk, maar ik ook. Ik heb toen op de tafel geslagen. Ik dacht, als ge me wilt doodschieten, moet ge dat maar weten.
We waren met den tram vertrokken. Ik zei: ‘Om terug te gaan, pakken we den trein, dan zijn we rapper thuis. En als onze François nog thuis is, moet hij direct weg.’ Toen we in Zolder kwamen of daar ergens, viel de trein toch stil, zeker! Hij bleef er staan, één uur, onderhalf uur. Ik blijtte: ‘God, God, ’t is niet zeker dat we onze François nog terugzien.’

Later hoorde ik zeggen dat mannen van de weerstand ergens tegen Mol de route hadden opgeblazen. Eindelijk reed de trein verder. We kwamen thuis en ik zag onze François. Hij zat tegen de muur de gazet te lezen. Die hadden we toch nog. Hij was ook stockmeter, gelijk onze Albert. Hij ging ook met de Russen mee af, maar hem hebben ze nooit opgepakt.
Na een week zei mijn dochter: ‘Moe, we gaan nog eens zien.’
‘Dat kan ik niet meer’, zei ik. ‘Ik kan  niet zwijgen tegen dien Duits.’
Ze is dan maar alleen gegaan en die keer heeft zij hem mogen zien. Efkes. Dan hebben ze hem weggedaan. Sindsdien hoorden we niks meer van hem.

Toen gingen we op de cité naar een waarzegster. Daar gingen we, oh, alle weken naartoe. ‘Zeg, weet gij iets? Kunt gij ons iets vertellen?’ Dat was de vrouw van ’t Duvelke. Die woonde aan ‘t voetbalplein. Dat was zo’n klein, zwart wijfke. Die kon handlezen en kaartleggen. Dan deed ze  n’n doek over hare kop. ‘Heb maar goei hoop’, zei ze altijd. ‘Albert komt terug’. ”

Naar Sint-Gillis -  Op 1 juni 1944 werd aan Albert Geeraerts, Maurice Lecocq, Camille Feron en Nelly Lecocq meegedeeld dat ze naar een andere gevangenis zouden overgebracht worden. Ze  mochten een brief schrijven en een kapper kwam de mannen het haar knippen en scheren. Waarom moesten ze vertrekken en waar zouden ze naartoe gaan? Er was niet eens een vonnis uitgesproken. De volgende ochtend kregen ze hun persoonlijke bezittingen  terug. Spreken met elkaar was verboden. De Duitsers reden hen, samen met nog veertien andere gevangenen, naar de gevangenis van Sint-Gillis in Brussel. Nelly Lecocq ging er naar de vrouwenafdeling. In een barak waar 80 gevangenen samen zaten, maakten Albert en Maurice voor het eerst kennis met Camille Feron.

De vierde dag van hun verblijf in Sint-Gillis werd een namenlijst bekendgemaakt: 26 gevangenen zouden naar Duitsland gedeporteerd worden. Het viertal stond op de lijst. Maurice Lecocq maakte zich grote zorgen om zijn dochter. Hij hoopte haar vóór het vertrek nog eens te kunnen zien. Op 24 mei 1944 was op de Feldkommandantur 681 in Hasselt de beslissing gevallen. ‘Feron Camille, Geeraerts Albert, Lecocq Maurice en Lecocq Nelly werden veroordeeld wegens hulp aan de vijand. De beschuldigden moesten naar Duitsland overgebracht worden. De voorwaarden voor een veroordeling in de bezette gebieden waren niet gegeven. Met hen ging een bundel akten wegens hulp aan de vijand mee.’

Deportatie naar Duitsland - Op 6 juni 1944, de dag van de geallieerde landing in Normandië, was de sfeer geladen in de gevangenis van Sint-Gillis. Bij de Duitsers heerste grote opschudding. In kleine groepen moesten de gevangenen in Blok QG hun persoonlijke bezittingen afhalen.

Albert Geeraerts: “Diezelfde dag hebben de Duitsers 1500 gevangenen - de gevaarlijksten in hun ogen -  uit de Belgische gevangenissen gehaald en op een trein naar Duitsland gezet. Wij waren erbij. We stapten in een reizigerstrein met compartimenten voor 8 tot 10 personen. De bewakers moesten niks anders doen dan door de gang lopen, zo konden ze ons bewaken. Bij valavond kwamen we in Keulen aan. We overnachtten in een gevangenis, niet ver van de statie. De volgende dag begon de rit dwars door Duitsland. Dat was verschrikkelijk. Het was stikheet en vier dagen lang zaten we in een overvolle wagon, zonder eten of drinken.”

Op 10 juni 1944 stopte de trein in  Opper-Silezië, in Gross-Strelitz (Strzelce Opolskie), een kleine Poolse stad een twintigtal kilometer over de Duitse grens. De bewakers brachten de gevangenen naar het ‘Zuchthaus’, een enorm gebouw in rode baksteen, met meer dan 500 cellen. Hier zouden zij, vijanden van het Duitse Rijk, voor het tribunaal komen en veroordeeld worden.

Het tuchthuis van Gross-Strelitz - In het centrale tuchthuis werd het viertal over verschillende cellen verdeeld. Albert Geeraerts maakte er kennis met twee landgenoten die al een tijd in de cel zaten: een jezuïet van het Institut Gramme te Luik en Paul Lehouck, de zoon van een fabrieksdirecteur uit Senzeille. Beiden waren opgepakt bij een vergeldingsactie in de provincie Namen (4). Camille Feron kreeg een plaats in de cel naast Albert. Johannes, een zestigjarige Nederlander, en kapitein Gaétan Van Nooten, een opgewekte en spraakzame militair uit Brussel, waren zijn medegevangenen. Vooral deze laatste zou de onmisbare vriend van Feron worden. De cel waarin Maurice Lecocq werd opgesloten, lag een eind verder. Nelly ging naar de vrouwenafdeling. Dit gebouw stond een paar honderd meter van het centrale tuchthuis.

Niet alle bewakers waren nazi’s. Sommigen deden zich voor als druktemakers, maar meestal gedroegen ze zich correct tegenover de gevangenen. De mannen van corvee - de Kalfakters - waren Sileziërs, oude Polen met wie te praten viel. Elke dag  werden de cellen doorzocht, matrassen ondersteboven gekeerd, gevangenen gefouilleerd, op zoek naar een stompje potlood of ander verboden bezit.

Albert Geeraerts: “Wij hadden n’n ouwe Poolse bewaker, waarschijnlijk ne katholiek, want in plaats van te zoeken begon hij te praten met de priester van Luik die bij ons in de cel zat. Gewoonlijk had hij een gazet bij. Dat was Duits nieuws natuurlijk en al een paar dagen oud, maar dat maakte voor ons niks uit. Voor hij wegging en de deur afgrendelde, liet hij de gazet schijnbaar onopzettelijk vallen. Als ‘s avonds de Kalfakter het eten bracht, werden de celdeuren geopend. Terwijl we met ons eetkommetje buiten de cel zwijgend stonden te wachten, schoven we de gazet door naar Camille Feron of kapitein Van Nooten.”

Telefonische contacten - Doorheen het hele gebouw liepen zware ijzeren buizen van de verwarmingsinstallatie. In Opper-Silezië kan het tot dertig graden onder nul vriezen. In beide vleugels zat in elke cel een horizontale verwarmingsbuis tegen de muur. Verticale buizen zorgden voor de warmtecirculatie naar andere verdiepingen. Deze leidingen boden de gevangenen een unieke gelegenheid om met mekaar te communiceren. Een gevangene die zijn oor tegen de buis te luisteren legde, kon elk woord van de oproeper horen, als die beide handen om z’n mond en tegen de ‘spreekbuis’ hield. Zo kon kapitein Van Nooten het offensief van de geallieerden door het tuchthuis seinen en commentaar geven bij de militaire operaties. Wanneer Camille Feron, die op Kübelpapier Europa in kaart had gezet, twijfelde aan de juiste ligging van een plaatsnaam in Frankrijk, werd de Franse afdeling opgeroepen en om uitleg gevraagd. Behaalde het Rode Leger een grote overwinning, dan trilden de verwarmingsbuizen van het kloppen. Wanneer een bewaker te dicht in de buurt kwam, klonk het waarschuwingssignaal ‘vingt-deux!’ door de telefoonbuis en viel het seinen onmiddellijk stil.

Het Volksgericht - Het gerecht zetelde in de kapel van het tuchthuis dat  voor de gelegenheid tot een tribunaal was omgevormd. Het viertal werd voorlopig met rust gelaten, maar gerust waren ze allerminst. Zolang ze niet in afzondering geplaatst werden, was er van veroordeling geen sprake. Blijkbaar moesten nog veel gedetineerden voor hen aan de beurt komen. Bovendien bleven gevangenen toestromen, het tuchthuis raakte overvol. In oktober 1944 werden de zittingen van het Volksgericht geschorst. De snelle opmars van het Rode Leger was er wellicht de oorzaak van.

Laatste contact vader en dochter - Sinds haar opsluiting in de vrouwenafdeling had Nelly Lecocq haar vader niet meer gezien, noch iets van hem gehoord. Betekende deze afzondering het definitieve afscheid? Weken van droefheid, angst en onzekerheid hadden haar moedeloos gemaakt. De oude Poolse Kalfakters die dagelijks eten brachten, reden met de voedselkar van het ene blok naar het andere. Nelly vroeg zich af of ze via deze weg haar vader zou kunnen bereiken. Op een dag negeerde ze de raad van haar kamergenoten en besloot ze het erop te wagen. Ze stak een gebalde vuist op naar een van de Poolse helpers. De man beantwoordde haar communistische groet met hetzelfde gebaar. In gebrekkig Duits smeekte ze hem een boodschap aan haar vader over te brengen. De man stemde toe.

Ze schreef: ‘Ik ben in goede gezondheid. Ik vertrek naar een onbekende bestemming. Moeder maakt het goed.’ Dit laatste had ze eraan toegevoegd om haar vader gerust te stellen, want zij had evenmin een brief ontvangen sinds ze uit Hasselt vertrokken was. Zij waren NN-gevangenen: zij hadden in bezet gebied de veiligheid van het Rijk in gevaar gebracht. Volgens het Nacht- und Nebeldekret van 7 december 1941  moesten zij de doodstraf krijgen of naar Duitsland worden gedeporteerd om daar te verdwijnen ‘in Nacht en Nevel’, zonder enig spoor achter te laten. NN-gevangenen werden totaal geïsoleerd van de buitenwereld. Ze mochten geen binding meer hebben met familieleden of met wie dan ook buiten het kamp. Briefwisseling was uitgesloten.

Vol spanning stond Nelly de volgende ochtend te wachten op de komst van de voedselkar. De Kalfakter stak haar ongemerkt een briefje toe: het antwoord van haar vader. Een moment van intens geluk. Hij schreef: ‘Ook wij vertrekken naar een onbekende bestemming. Geef de moed niet  op. Eet gras als het moet. Blijf hopen!’ Dit was het laatste contact dat Nelly met haar vader had. Enkele dagen later werden beiden op transport gezet.

L’enfer des femmes - Het concentratiekamp van Ravensbrück was het enige kamp in het Reich waarin uitsluitend vrouwen opgesloten zaten. Tot driemaal toe zouden de Duitsers het vergroten en aan de noodwendigheden aanpassen. Het kamp werd voorzien van een crematorium en in november 1944 van een gaskamer. Voor vrouwen die door gebrek aan voeding of medische verzorging arbeidsongeschikt werden verklaard, was in dit kamp geen plaats. Van de 132.000 geregistreerde gevangenen stierven er 92.000. Ravensbrück werd niet zonder reden L’Enfer des Femmes genoemd. Omstreeks 24 november 1944, de dag dat Nelly er aankwam, verbleven 80.000 vrouwen in het kamp.

Nelly Lecocq: “Bij de NN-gevangenen in de blokken 24 en 32 zat mevrouw Lagrange uit Brussel, een helderziende die vóór de oorlog voor de Belgische Staatsveiligheid werkte. De Belgen kenden haar als ‘Tante Fine’, een optimistische vrouw die de gevangenen opbeurde. Ik zocht haar vaak op, stelde vragen over haar  gave als zieneres. Ik hoopte dat Tante Fine de bevrijding zou kunnen voorspellen en me kon vertellen waar mijn vader gevangen zat. Op een dag kondigde Tante Fine het vertrek van de NN-gevangenen aan. We zouden naar een mannenkamp overgebracht worden, beweerde ze. Ondanks de situatie waarin we zaten, begon ik te lachen en zei: ‘Dat is onmogelijk.’ Maar tegelijk schoot de gedachte door m’n hoofd: misschien zie ik mijn vader terug. Tante Fine voorspelde een kamp met bloed en veel doden, erger nog dan Ravensbrück. Ik vond dat Tante Fine haar verstand begon te verliezen. Een kamp onmenselijker dan Ravensbrück bestond niet.”

Door de opmars van het Rode Leger werd het kamp van Ravensbrück ontruimd. In de vroege ochtend van 2 maart 1945 stapten tweehonderd gevangenen op de trein. Tachtig vrouwen werden in één beestenwagen geperst. De lijdensweg naar een onbekende bestemming duurde vijf eindeloze dagen.

Ook van NN-gevangenen werden de persoonlijke gegevens
met Duitse precisie op een steekkaart gezet.

Naar ‘Mordhausen’: door de poort naar binnen, door de schoorsteen naar buiten.  
Nelly: “Eindelijk stopte de trein in een klein station en begonnen we aan een moeizame klim naar het kamp. Mijn benen waren verkleumd en wilden niet meer mee. Gelukkig duwde Josée, een medegevangene, me vooruit voordat een SS’er naar me toekwam. Volhouden, niet nadenken, volhouden! Links en rechts van de weg lagen de lichamen van hen die niet meer meekonden of door SS’ers waren doodgeslagen. Wat een verschrikking. Eindelijk stonden we voor een enorme muur, het leek wel een burcht. We stapten een grote poort binnen, waarboven een arend troonde. Het was 7 maart 1945. We waren in Mauthausen aangekomen.”

Het  concentratiekamp van Mauthausen in Oostenrijk lag op 22 km   ten oosten van Linz. De vrouwen van Ravensbrück werden ondergebracht in de barakken 17, 18 en 19. De gedetineerden noemden Mauthausen terecht Mordhausen. De verschrikking van dit kamp was de steengroeve. Na het uitputtende werk in de groeve, sukkelden de gevangenen de ‘dodentrap’ op. Met een zware steen op de rug begonnen ze aan de klim, 189 treden hoog. De laatste gevangenen droegen de doden van de dag.

“We gingen in quarantaine. We zaten opeengepakt. Het voedsel was schaars en slecht. Gras, kruiden, paardebloemen, alle afval was welkom. Velen werden gewoon gek. Na de afzondering moesten we naar een barak dicht bij de rivier en de steengroeve. Voor de zieken stonden er enkele bedden. De anderen lagen op wat stro op de vloer. De rivier lag vol smerigheid. Ze diende voor alles en nog wat: om ons te wassen, het linnen te spoelen, om onze gamellen te reinigen. Dingen die bij de verzorging van zieken gebruikt waren, werden in het water gekapt. We dronken er zelfs van. En ik die altijd zo bang voor besmetting was geweest. Dat het zo ver moest komen.”

Niettegenstaande deze vrouwen - graatmager en totaal uitgeput - in onmenselijke omstandigheden leefden, vonden de SS’ers het nodig om ze in Amstetten aan het werk te zetten. Geallieerde vliegtuigen hadden aan dit belangrijk spoorwegstation zware verwoestingen aangericht. Veel gevangenen die de sporen weer vrij moesten maken, werden tijdens een nieuwe aanval op 20 maart 1945 zwaar gewond of gedood. Tante Fine kreeg gelijk, haar voorspelling was uitgekomen. Mauthausen was de hel. 

Bevrijd - Dankzij graaf Bernadotte, hoofd van het Zweedse Rode Kruis, eindigde voor de Franse en Belgische vrouwen deze nachtmerrie op 23 april 1945. Het Internationale Rode Kruis kreeg de toelating om 756 vrouwen naar Zwitserland te brengen. Ze werden verzorgd en verbleven er tot hun repatriering. Op 7 mei 1945, de dag dat Mauthausen door Amerikaanse troepen werd bevrijd, kwam Nelly weer thuis.

Concentratiekamp Gross-Rosen - Ook Albert Geeraerts, Maurice Lecocq en Camille Feron hadden Gross-Strelitz verlaten en waren op 30 oktober 1944 op transport gesteld naar Gross-Rosen, zuidoostelijk van Breslau (Wroclaw). Gross-Rosen heet nu Rogoznica en ligt op Pools grondgebied. Om de enorme aanvoer van gevangenen op te vangen, moest een groot aantal buitenkampen bijgebouwd worden. Bij het hoofdkamp, dat tegen de glooiing van een berg lag, werden terrassen aangelegd, waarop de gevangenen met stenen uit de nabijgelegen steengroeve nieuwe barakken optrokken.

De Lagerführer, een SS-overste, droeg zijn taak over aan een gevangene die hij als Lagerältester (hoofd van het kamp) had aangesteld. Deze gaf zijn opdrachten aan Duitse, Oostenrijkse en Poolse misdadigers van allerlei slag die al jaren in het kamp opgesloten zaten. Uit deze criminelen werden de blokoversten, hun helpers en de leiders van de werkgroepen - de Kapo’s - geselecteerd. Ze traden wreed en meedogenloos op en waren dikwijls erger dan Duitse bewakers. In Gross-Rosen zaten gevangenen uit alle bezette gebieden van Europa. Op het gevangenisplunje droeg elke geïnterneerde een gekleurde driehoek met daarop de beginletter van zijn land. Alle politieke gevangenen uit België hadden op hun blauwgrijs zebrapak een rode driehoek met letter B. Beulen droegen als kenteken een groene driehoek.

Gross-Rosen was een van de gruwelijkste concentratiekampen. Het stond niet als uitroeiingskamp vermeld, maar van de 2500 Russische krijgsgevangenen die in het najaar van 1941 in Gross-Rosen waren gearriveerd, bleken er in februari 1945 nog 25 in leven. Van de 1500 gedeporteerden die op 30 oktober 1944 vanuit Gross-Strelitz waren aangekomen, zouden na drie maanden er nog slechts 550 overblijven. De anderen waren omgekomen door ontbering, ziekte, slagen of executie.

De aankomst - Albert Geeraerts: “Tegen de avond stopte de trein midden in de velden. Schreeuwende SS’ers met bloedhonden aan de leiband stonden ons op te wachten. We strompelden naar het kamp. De bewakers lieten de bloedhonden los op de gevangenen die achteraan in de rij liepen. Ik weet niet hoe het kwam, maar op zeker ogenblik was ik ook achterop geraakt. Voor ik het besefte en weg kon komen, had een hond mij in m’n hand gebeten. Aan mijn rechter ringvinger is het lidteken nog te zien. Wie niet verder kon, werd door de honden doodgebeten.”

De bewakers brachten de gevangenen naar de Appellplatz, een enorm plateau, verlicht door massa’s projectoren. Daar zouden ze hun kampnummer krijgen. De naamafroeping gebeurde in alfabetische volgorde. Het urenlang wachten begon.Wie laat aan de beurt kwam, moest tot diep in de nacht de Silezische koude en de ijzige wind trotseren. De Kapo riep elke gevangene naar voren en gaf hem een nummerplaatje dat door de gevangene om de hals werd gehangen. Voortaan had hij geen naam meer. Camille Feron werd ingeschreven als nummer 82055,  Albert als 82098 en Maurice Lecocq werd 82255.

Aan een tafel werden de persoonlijke gegevens genoteerd. Een Kapo stopte kleren en persoonlijke bezittingen in een zak en de gevangene ondertekende de nota. De volgende ‘groene’ stond al klaar voor de ontharing. De operatie Die Haare ab! was een pijnlijke en bloederige bedoening. Met ruwe halen ging het hoofdhaar eraf. Een botte schaar rukte het okselhaar en het schaamhaar weg. Alles gebeurde in een razendsnel tempo. Hierop volgde een warme, deugddoende douche, maar de vreugde was van korte duur. Met een koude waterstraal spoot een Kapo alle warmte weg. Daarna werden de gevangenen met een bijtend ontsmettingsmiddel ingesmeerd en kregen ze hun gevangenisplunje. Opnieuw stonden ze in de ijzige kou, tot eindelijk ‘Block Neun! Marsch!’  weerklonk en ze de barakken binnen mochten. Barak 9 was in 2 vleugels verdeeld: Albert Geeraerts ging naar 9B, Maurice Lecocq en Camille Feron naar vleugel 9A.

Soepbedeling - In de eerste week was Albert getuige van een gruwelijk voorval: “De soep werd buiten de barak uitgeschept, maar we moesten ze in de barak opeten. We stonden in een lange rij aan te schuiven. In de soepketel werd niet geroerd. De eersten kregen een watersoepke. De laatsten hadden kans dat er iets meer in hun bord lag. Een Fransman uit Rijsel, die vooraan in de rij had gestaan, wilde een tweede keer soep gaan halen. Hij had het venster opengedaan en was naar buiten gekropen. Toen Karl, de kameroverste, dat zag, stampte hij de gevangene dood.”

Naar de beruchte steengroeve - Anderhalve kilometer van het kamp werd door de ‘Deutsche Erd- und Steinwerke’ een steengroeve uitgebaat. Granietbrokken, onbruikbaar voor het bedrijf, dienden als materiaal voor de fundamenten van de nieuwe barakken in het kamp. Een Arbeitskommando, bestaande uit een honderdtal gevangenen, begeleid door SS’ers te paard en Kapo’s per fiets, trok vier keer in de ochtend en vier keer na de middag naar de steengroeve.

Albert Geeraerts: “Dat was een halfuur gaan van het kamp naar de steencarrière. We moesten een steen van tien, vijftien kilo naar het kamp dragen. Daarna  gingen we terug naar de steengroeve om weer een steen te halen. Dat was zonder handschoenen of iets. Als ge die dikke steen per ongeluk liet vallen of omdat die te zwaar werd, bleef de bevroren huid van de handpalmen aan die steen plakken. Daar waren gevangenen die dachten, als ik twee kleine stenen neem, kan ik die onder mijn oksels houden en zo tenminste mijn verkleumde vingers verwarmen. Daar zeiden de Kapo’s niks van. Maar na honderd meter riepen ze ‘Halt!’ en dan controleerden ze dat. De gevangene moest zich uitkleden en naakt een zware steen die hij van een makker moest overnemen, naar het kamp dragen.”

Appèl in weer en wind - “ Twee keer per dag werd er appèl gehouden. ’s Morgens was dat om een uur of vijf, denk ik. We stonden buiten, ieder op zijn plaats. Zelfs de gevangenen, zij die de voorbije nacht gestorven waren, moesten we op hun plaats leggen. De blokoverste telde de gevangenen en riep dat naar een SS’er die een vijftigtal meter verder stond. Er werd bijvoorbeeld geroepen: ‘Blok negen, afdeling A, zoveel gevangenen.’ Dat werd dan op één plaats gecentraliseerd. En als het niet klopte - er waren bijvoorbeeld twee gevangenen tekort - dan begonnen ze opnieuw te tellen.

Zo hebben we ne keer gestaan van zes uur ’s avonds tot ’s anderendaags tien uur. Tot bijna aan de knieën in de sneeuw. Kousen hadden we niet. We zetten ons voeten op een stuk gazet of een stuk bruin papier dat we vonden. Dat waren ons sokken. En een houten plank met een riemke erover diende voor schoen. Daar waren er die waterden in de sneeuw. Als de Kapo dat zag en gewoonlijk zag hij dat, kreeg de man tien, vijftien matrakslagen. Wie van z’n zelve viel, bleef liggen. Als hij bijkwam, moest hij zelf maar proberen op te staan. De anderen stonden in ‘Geef acht!’, die mochten niet helpen.”

Vlooien- en luizencontrole - “ Zaterdags namiddag  werd er niet gewerkt. We kregen dan een uur of twee de tijd om onze kleren te doorzoeken naar vlooien en luizen. Daar zat dan ne Kapo met een heel sterke lamp, ge kondt er niet tegenin zien. En dan riep hij: ‘Gij, kom hier!’ Dan moest ge naar hem toegaan  om uw kleren te laten controleren. Van het moment dat hij één luiske vond, kreegt ge vijftien matrakslagen. Ge moest gebogen over een stoel gaan staan, zo dat uw rug gespannen stond. Hijzelf sloeg niet. Na een tijd wist die Kapo welke twee gevangenen altijd samen waren. Dan moest de ene de andere slaan. Aangezien dat vrienden waren, sloegen die praktisch niet. Maar werd er niet of niet hard genoeg geslagen, dan deed de Kapo het. Die sloeg dan de twee mannen. Mij hebben ze ene keer gehad. En als ge moest komen, was het elke keer alsof ze u van uw zelve sloegen. Van de eerste slag waren er al bewusteloos.”

Verschrikkelijke nachten - Nog meer dan de dagen vreesde Albert de nachten in Gross-Rosen. “Daar heb ik het meeste schrik van gehad. Wanneer we gingen slapen, moesten we buiten de barak onze kleren uitdoen. Het was top in de winter en de vensters stonden allemaal open. Dat kamp lag tegen Polen, daar was het eens zo koud als hier. Ze riepen tien man. Terwijl die naar binnen liepen kregen ze van de karwats, want alle vijf meter stond er ene met een karwats van ne meter of vijf lang. Die eerste tien moesten met hunne buik tegen de muur gaan staan. Wanneer we met vijftig binnen stonden, ingepakt gelijk sardienen in een blik, werd er gefloten of geroepen ‘Hinlegen!’ en moesten we ons zijlings plat op de vloer laten vallen. We vielen allemaal over elkaar. We mochten niet meer bewegen of we kregen van de karwats. Ik ben ’s morgens opgestaan, dat ik tussen twee doden lag.

Er waren gevangenen die, om wat meer eten te krijgen, ’s nachts toezicht hielden over hun medegevangenen. Sommigen waren redelijk, maar er waren er ook bij die de beest uithingen. Een ex-politiecommissaris van Oostende was een echte smeerlap. Als die nachtwacht deed, zat hij op een stoelke bij de deur en wie naar het Abort - de wc -  wou, dat was een dertig meter, moest dat aan hem vragen. Op ne keer moest ik gaan. Ik kon niet over al die mannen stappen zonder iemand te raken, ze lagen allemaal bovenop elkaar. Ge moest zoeken waar ge uw voeten kondt zetten en dan was dat: ai! oh! aai! Dan pakte die bewaker zijn lange hondenzweep en sloeg in de richting vanwaar het geluid kwam. Altijd trof hij vijf, zes gevangenen.

Toen ik bij hem kwam vroeg ik of ik naar het toilet mocht. ‘Ge gaat op uw knieën naar het toilet kruipen,’ zei hij. Daar was tyfus geweest, we hadden buikloop, iets fantastisch. Toen ik aan het toilet kwam, zei hij: ‘Kom nu maar terug.’ Ik mocht niet gaan. Ik moest terugkomen. Goed dat ik naakt was, want toen zag ik er nogal uit. Terug op mijn plaats moest ik mij weer tussen de anderen wringen. Die nachten waren verschrikkelijk.”

Fataal einde - ‘Een concentratiekamp is geen sanatorium. Ik heb lijkendragers nodig voor het crematorium, geen geneesheren.’ (SS-Untersturmführer dr.Kurt Babor)
Door allerlei besmettelijke ziekten die het kamp onophoudelijk teisterden, raakte de ziekenbarak - het Revier -  overvol en was er een totaal gebrek aan geneesmiddelen. De zogenaamde verplegers, gekozen uit de criminele groep, hadden geen flauwe notie van ziekenverzorging. Pas toen de toestand in Barak 9 catastrofaal werd, mochten ook de Belgische en Franse dokters die in het kamp zaten, de zieken verzorgen. Veel gevangenen waren nog slechts vel over been, ze leden aan hongeroedeem. Muselmänner werden deze uitgehongerde mensen genoemd. ‘Noch nicht krepiert, Muselmann?’ was de sadistische  opmerking van de Kapo.

         

Camille Feron      Maurice Lecocq

Toen midden november 1944 in Barak 9 een kroep- en tyfusepidemie uitbrak, gingen de gevangenen voor een tiental dagen in quarantaine. Na de afzonderingsperiode werden de gezonden van de zieken gescheiden. Camille Feron die al een hele tijd aan buikloop leed, werd naar de strozakken in een hoek van de slaapzaal gestuurd. Wie daar terechtkwam, wist dat zijn dagen geteld waren. Hij deed ook nog een zware bronchitis op en de dokter liet hem naar het Revier overbrengen. Camille Feron overleed er op 5 december 1944 om 21 u. 40. Met Deutsche Gründlichkeit werd alles minutieus genoteerd.

Ook Maurice Lecocq lag in afdeling A van Blok 9. Volgens de heer Legros die Nelly’s vader in Gross-Rosen gekend heeft, wist Maurice door zijn optimisme en zijn enorme wilskracht de moed erin te houden. Hij was een buitengewoon boeiend verteller. Door zijn verhalen over zijn jeugdjaren in Canada, zijn belevenissen als vrijwilliger aan de IJzer en anekdotes over de koolmijn in Beringen konden zijn lotgenoten even hun leed vergeten. Maar uiteindelijk werden de ontberingen ook hem fataal. Verzwakt werd hij  op 6 februari 1945 naar het Revier gebracht. Het laatste sprankeltje hoop verdween. De bevrijding zou hij niet meer meemaken.

Vanwege de opmars van het Rode Leger waren de SS-autoriteiten reeds midden januari met de ontruiming van het kamp begonnen. Elke dag  verlieten colonnes gevangenen het kamp. Voor zieken die niet mee op transport konden, was er geen hoop meer. Er werden geen overlevenden achtergelaten. Op 13 februari 1945 bereikte het Russische leger het verlaten kamp van Gross-Rosen. Tijdens een Duits offensief zou het een tijdlang opnieuw in Duitse handen komen.

Arbeidskamp Bautzen - Begin februari 1945 arriveerde het gevangenentransport in Bautzen, niet ver van de Tsjechoslovaakse grens. Bautzen was een van de vele bijkampen van Gross-Rosen. Het lag in de vorm van een hoefijzer naast een fabriek van treinwagons.

Albert: “Het regime was er minder hard dan in Gross-Rosen. We moesten loopgrachten maken, putten graven die twee meter lang en één meter zestig diep waren. Ieder kreeg een meter of twee te doen. Bij dat werk is Gerald Norman naast mij gestorven. Deze 26-jarige Engelsman die in Schaarbeek woonde, was al aan ‘t sterven toen wij er aankwamen. Die kreeg niks meer gedaan, hij lag er tegen de grond. Ik kon ook niet veel meer doen. Als ik mijn schup in de grond stak, viel ik er bijna over, omdat ik geen macht meer had. Toch probeerde ik nog wat te werken. Ik had in de plaats van die jongen een beetje geschupt en n’n Duits had dat gezien. Die pakte een schup en die kapte mij knats hier tussen m’n ogen. Gerald Norman hebben we dood het kamp binnengebracht. De laatste dagen hadden we elke dag tien, vijftien doden bij. We namen  de doden tussen ons in. Die sleurden met hun voeten over de grond. Zo brachten wij ze mee.  

Op zoek naar eten - Op het laatst kregen we nog anderhalve liter warm water. Dat was onze soep. Er zat niets meer in. Er was ook geen brood meer. Ze stuurden ons de wei in, we konden planten gaan zoeken. Hoeveel honger ik geleden heb, kunt ge u niet voorstellen. In die dagen zijn er veel aan diarree gestorven. In Gross-Strelitz kregen we houtskoolpastillen als remedie tegen diarree, maar hier hadden we niks meer. Als ik de kans had, pakte ik houtskool mee van de vuurkes die de bewakers tegen de kou aanlegden en daar at ik van. Nee, het had geen week langer meer mogen duren.

De Russen komen - In april 1945 begon zowel het westelijk als het oostelijk front dichterbij te komen. Als de Amerikanen een offensief inzetten, hoorden we het in het westen rommelen. Enkele dagen later dreunde in het oosten het geschut twaalf uur aan één stuk. Intussen was er al dikwijls getraind voor het geval we het kamp moesten ontruimen. Om hun bagage te vervoeren hadden de Duitsers grote karren gevorderd. Aan weerszijden van elke kar waren koorden vastgemaakt. In plaats van paarden zouden twintig gevangenen de kar trekken. Daar hadden ze  de sterkste mannen voor uitgekozen. Ik had van Russische gevangenen gehoord dat twee, drie barakken volgestapeld lagen met materiaal uit de fabriek naast het kamp. Dat waren geprefabriceerde wanden die gebruikt  werden om beschadigde treinwagons te herstellen. De Russen hadden gezegd: ‘Als ze ontruimen, steken wij ons weg in die barakken.’

Ik dacht,  ik kan niet lopen. Als ik meega, dan lig ik er na een paar kilometer en maken ze me af. Op een dag stonden de wagens gereed om te vertrekken. Ieder gevangene  kreeg een deken. ’t Was me daar een warboel! Ik had die Russen de barak zien binnengaan. Ik ging ze achterna en stak me ook weg achter een wand. Opeens, het kamp was ontruimd, kwam een Duitser met een hond binnen. Dien Duits ging rond en die hond liep gewoon mee, die zocht niet. ’s Anderendaags werden we bevrijd. Een Russische tank kwam de straat ingereden. Op de achterkant was een groot platform gemaakt en dat lag bonkvol soldaten. De tank stopte, die mannen vlogen eraf en sprongen in de loopgrachten die wij voor de Duitsers hadden gegraven. We kwamen uit onze schuilplaats en zagen een Russische soldaat met een velo.
‘Kameraad! Kom hier! Kom hier!’, riep een van de Russische gevangenen.
‘De Duitsers komen terug. Kom mee’,  zei de soldaat.

In de gevechtszone - Hij nam ons mee de stad in. Dat was een beetje bergop, ik herinner het me nog goed. Overal waren straatgevechten bezig, maar die Rus ging gewoon door. Dat was eigenaardig, wij hadden niet de minste schrik, we beseften het gevaar niet. Op zeker moment kwamen we voorbij  een gracht waarin een put was uitgegraven en daar zat ne Rus in. Die had  drie, vier bokalen met vlees voor zich uitgestald, waarschijnlijk ergens uit ne kelder gepikt. Overal rondom hem waren ze aan ‘t schieten dat de stukken eraf vlogen. Dat scheen op hem gene indruk te maken. Hij zat daar op zijn trekharmonica te spelen, die vleespotten voor hem, zijn geweer schietensgereed tegen de kant. Daar kon ik niet goed bij.

We werden naar de staf gebracht. Een officier wilde weten waar ik vandaan kwam, hoe ik heette, wat ik meegemaakt had. Hij maakte een rapport op. ‘Ga met die mannen eerst naar de keuken’, zei hij tegen twee militairen, ‘en breng ze dan buiten de gevechtszone.’ In de veldkeuken waren al een tiental gevangenen aangekomen. De kok maakte rijst klaar met grote stukken spek in. We kregen een emmer voorgezet. Ieder mocht een gamel vol scheppen en eten zoveel hij wilde. Maar ja, dat was te zware kost voor onze maag. Na een tijd begon ik te hijgen, te hijgen. Daar heb ik geluk gehad, ik had me dood kunnen eten.

Toen ben ik in een wijk achter de frontlinie terechtgekomen waar Russen met hun tanks gestationeerd waren. Die mannen gingen er tegenaan. Ze parkeerden hun tank niet onder een boom, maar reden gewoon achteruit een huis binnen, zodat alleen de loop van het kanon naar buiten stak. De luitenant van die eenheid heeft zich toen over mij ontfermd. Ik lag in een villa en ik kon slecht gaan. Die officier kwam alle dagen naar mij toe. Hij vroeg wat ik nodig had en bracht het dan mee.

Het offensief van de Duitsers - Maar de Duitsers kwamen terug. De Russische soldaten pakten het antitankkanon mee dat voor de villa stond en ze waren weg. Daar zat ik! Toen heb ik rondgezworven, ondergedoken gezeten en in kelders geslapen. Tot ik op een dag een Vlaams lied hoorde zingen. Ik keek door het keldervensterke en zag jongemannen die puin aan het ruimen waren. Ik riep op een van hen en die kwam direct naar me toe. ‘Wat doet gij hier?’ vroeg hij. ‘Ik ben niet op tijd weg kunnen geraken’, zei ik. Het waren jongens die opgeroepen waren om in Duitsland te gaan werken, verplicht tewerkgestelden of vrijwilligers, dat weet ik niet. 

‘Weet ge wat’, zei hij, ‘wij logeren in het Ausländerkamp hier in de buurt. Dat kamp wordt bewaakt door Volkssturmers, ouw burgers waar ze militairen van gemaakt hebben. Ga dat kamp maar binnen, in Barak 8 zitten de Belgen. Ene van ons is daar gebleven voor de bewaking. Zeg maar dat ik u gestuurd heb.’
‘Daar durf ik niet binnengaan’, zei ik. ‘Ze zien direct dat ik een gevangene ben.”
‘Die ouw mannen controleren niemand. Ge riskeert niks.’

Toen ben ik naar dat kamp gesukkeld. Ze hebben me in die barak onder een bed weggestopt, een matras eronder gelegd en daar lag ik op.

Tegenaanval van de Russen - De Russen gingen in de tegenaanval en het werkkamp moest ontruimd worden. De zware zieken gingen naar een ziekenhuis, de anderen vertrokken in de richting van Tsjecho-Slowakije. Ik zei: ‘Als ik naar de kliniek moet gaan, ben ik eraan. Ik heb geen papieren.’ Op de lange duur zeiden ze: ‘We zullen u meenemen.’ Een paar mannen kwamen met een grote kar af, zo een waar ze bij de spoorwegen de postzakken mee vervoeren. Ne strozak erop. Ik ben er op gaan liggen en zo hebben ze de kar gestoten tot in Tsjecho-Slowakije, ten noorden van Praag.

Den 8ste mei, de dag van de capitulatie, zaten we tussen twee fronten. In het westen was de strijd afgelopen, maar Praag was nog niet bevrijd. Van het Amerikaanse front kwamen Duitsers die nog tegen de Russen wilden doorvechten: mannen van de marine, van het luchtwezen, al wat ze nog hadden kunnen bijeenscharrelen. Op ne keer kwamen er  vier, vijf Russische tanks aangereden. Die waren zeker twintig kilometer doorgestoten. De Tsjechen met hunne  weerstandsband aan waren er direct bij. Ze sloegen een Duitse luxevoituur aan, staken ne driepikkel door het dak en legden ne band op de mitrailleuse. Ze schoten op alles  wat Duits was. Een tijd later, de Russische tanks waren weg, zag ik een SS’er met een pakske onder z’n arm uit de colonne komen. Hij ging een trein binnen en kwam er  een paar minuten later als burger weer uit.

Ik zei tegen ne Tsjechische partizaan: ‘Dat was juist ne SS’er en nu is ‘t ne burger.’
‘Zijt gij daar zeker van?’ vroeg hij.
‘Ja, daar ben ik zeker van’, zei ik.
Ze hielden de man tegen. ‘Je suis Alsacien’, zei hij.
Ze vroegen zijn papieren. Ja, dat was n’n Elzasser.
‘Zo juist was het n’n SS’er’, zei ik. ‘Hij is in den trein ander kleren gaan aantrekken.’
Ze gingen kijken en vonden zijn SS-uniform in ne wc-pot. Die Tsjechen maakten er korte metten mee. Daar stonden van die houten palen met isolateurs op. Ze gooiden er een koord rond en hingen de man op.”

De terugreis - Toen ook Praag bevrijd was, werd Albert overgebracht naar een kliniek in Karlsbad (Karlový Vary), 120 km ten westen van Praag. Hij woog nog eenendertig kilo. Een delegatie van het Belgische Rode Kruis vroeg hem of hij per vliegtuig of per trein gerepatrieerd wilde worden. Hij verkoos de trein omdat de Belgen in de kliniek al drie weken op een vliegtuig zaten te wachten.

“Toen ben ik ’s anderendaags met de trein vertrokken, in een eerste klas compartiment. Twee verpleegsters gingen met mij mee. In sommige staties waar de trein stopte, kondt ge ’t een en ander krijgen. Die verpleegsters vroegen aan mij: ‘Moet ge iets hebben?’
‘Haal maar een pintje melk of zo’, zei ik dan.

Maar  terwijl zij naar die hulppost gingen, was ik de treden al af om rond de trein te gaan. Al wat ik vond, schillen van fruit en zo, stak ik in mijne zak. Ik kreeg eten zoveel ik wilde, maar er was zo een onweerstaanbare drang in mij om alles op te rapen wat eetbaar was. Ik kon het niet laten. 

Toen we in Arlon aankwamen, kreeg ik weer bezoek van het Rode Kruis. Daarna voerden ze mij naar het hospitaal van Saint-Laurent in Luik. Hoe lang ik daar geweest ben, kan ik me niet meer herinneren. Een week misschien of veertien dagen. Ik was een beetje beter geworden: ik woog nu 42 kilo en kon al wat beter gaan. Drie specialisten behandelden mij.
Ik zei: ‘Ik blijf hier niet, ik wil naar huis.’
‘Ja maar’, zeiden ze, ‘ge moogt niet vervoerd worden.’
‘Dan ga ik lopen’, zei ik. ‘Ik blijf hier niet. Ik kan wel niet goed gaan, maar ik ga toch weg.’
Op de lange duur kwamen die drie specialisten bij mij om te beraadslagen. ‘Morgen moogt ge gaan’, zeiden ze. ’s Anderendaags ‘s morgens stond er een ambulancewagen gereed met vooraan twee grote Belgische vlaggen op. Ik zat achter in den auto tussen twee verpleegsters.

Weer thuis - Ze reden tot Beringen-Mijn, maar de straat waar ik woonde, kenden ze niet. Daarom stopten ze voor de mijn. Door het vensterke zag ik de klok van de mijn. Het was rond het middaguur. Ik richtte me wat op en toen zag ik de barakskes naast Hotel Moderne  waar Franske Crème stond. En wie zag ik het eerste daar staan? Mijn schoonbroer. Ik begon te roepen en te roepen: ‘Victor! Victor!’
De verpleegsters vroegen: ‘Wat scheelt er?’
‘Daar, dat is mijn schoonbroer!’ zei ik.
Hij kwam op de ambulance af en ging op den tree staan - die wagens hadden toen nog  n’n tree - en overal waar wij voorbijkwamen, riep hij: ‘Albert zit erin! Albert zit erin!’ 
Ja, toen kwam  ik onverwachts thuis. ‘Blijf in de auto’, zeiden de verpleegsters’, ‘wij zullen eerst naar binnengaan en uw ouders verwittigen.”  

Na veertien lange maanden - Virginie Emmens, moeder van Albert: “Toen ze uit Duitsland aan het terugkomen waren, hoorden we alle dagen op de radio: zoveel komen er aan, die en die zijn er bij. Maar die van ons bleef maar achter. Ja, te lange duur, ‘t was op ne middag, ik was juist de patatten aan ‘t afgieten, kwam er ne grote auto aan met de Belgische vlag op. Ik zei: ‘Wat is dat?’  Wij naar buiten. Onze Albert kwam uit den auto. Hij was lelijk mager. Holala! Hij had een Duits brood bij, zo’n zwart brood en dat gaf hij mij.

Ik zei: ‘Maar mijne jong, dat moeten wij niet meer hebben. Dat geven we aan de hennen en de geiten, als we geëten hebben. Nu hebben wij goed brood.’ Ik legde het buiten op de bank. Hoe dikwijls is hij dat brood niet gaan halen en heeft hij het weer naar binnen gebracht. Te lange duur heb ik het weggedaan.

Onze Albert heeft veel afgezien, zulle. Hij heeft wat meegemaakt, dat moogt ge wel zeggen. Als ge hem zaagt thuiskomen, zo ellendig. Wel, wel, wel. Hij sliep alleen in een kamer. Ik zei tegen mijne man: ‘We gaan zijn bed neven dat van ons zetten.’ ’s Morgens als we wakker waren, zeiden we tegen hem: ‘Wel, mijne jong, hebt ge goed geslapen?’ Die vloog dat bed uit! Weg! Zo bang was hij. Ge moet niet vragen wat die meegemaakt heeft. Dat kunt ge niet geloven.”

Langzaam herstel - “Het heeft maanden geduurd eer ik volledig hersteld was. Iedere dag moest ik naar de infirmerie van de mijn om mij te laten verzorgen. Dat was de voorwaarde die de specialisten in Luik gesteld hadden. Ik heb zeker nog zes maanden gelopen met mijn ogen naar de grond. Als ik wat vond dat eetbaar was, stak ik het in mijne zak. Als ik naar de infirmerie van de mijn ging, moest ik voorbij de Poolse beenhouwer op de hoek van de Statiestraat. Die man gooide soms afgekookte beenderen in de gracht. Ik ging die eruit halen.

Het was een manie geworden, enfin, daar was niks aan te doen. Ik rookte niet, maar als ik een stompke sigaret zag liggen, stak ik het in mijne zak. Het was erg. Mijn broer die altijd met mij mee naar de infirmerie ging, was zo beschaamd. Op dat ogenblik besefte ik dat niet. ’s Nachts stond ik op om in de kelder  iets te gaan pikken. Toen ik thuiskwam had ik zo’n zuur Duits broodje onder den arm. Dat was het enige wat ik bij me had. De mensen kwamen me thuis bezoeken en dan brachten ze een taart mee. Maar ik mocht alleen rijstwater drinken. Als ik iets at, kreeg ik diarree.”

Onverwerkt verleden - Voor de familie van Albert waren de maanden van angst en onzekerheid voorbij. Hijzelf zou moeten leren leven met de herinneringen aan een meedogenloos regime. Het zou nog tientallen jaren duren voordat hij met zijn belevenissen in de concentratiekampen naar buiten durfde te komen. Een vijftal weken nadat Albert thuiskwam, ontving hij volgende brief.   

 

 
Albert Geeraerts met zijn ouders,
enkele maanden na zijn thuiskomst

Albert: “Ik heb die brief niet beantwoord. Ik heb dat niet durven schrijven. De eerste maand nadat ik thuisgekomen ben, begon ik aan mezelf te twijfelen. Had ik echt zo’n verschrikkelijke dingen meegemaakt? De mensen zouden me niet geloven. Ze zouden denken dat ik dat allemaal fantaseerde. Ik heb niet durven schrijven. Nu zou ik daar wel over kunnen spreken.”

Irma, echtgenote van Albert: “Albert heeft er nooit met ons gasten over gesproken. Op ne 2de november - toen waren ze al groot - is hij er voor de eerste keer over begonnen. Toen heeft hij zitten vertellen van twee uur tot zes uur. We zaten hier allemaal tegeneen op te wenen. Hij was er de plechtigheid met de fakkel door vergeten. In het dorp stonden de oud-strijders op hem te wachten. Ze moesten met de fakkel (5) naar Beringen.”

(1) ‘Kameraad, pas op, hij komt achter mij aan!’
(2) Albert Geerdens, PA-lid
(3) Sicherheitsdienst, geheime inlichtingendienst van de SS
(4) Paul Lehouck overleefde de kampen niet. Hij kwam om in het Arbeitslager Bautzen. op 27.02.45
(5) Nationale fakkeltocht. Herdenking van 1ste en 2de Wereldoorlog 
   

Polosin Pjotr - Boek blz. 29, 69, 114-115, 360, 399-403

Pjotr  Polosin werd in 1922 geboren in Jelets, 300 km ten zuiden van Moskou. Nadat hij er het middelbaar onderwijs had doorlopen, vertrok hij in 1940 naar Marioepol aan de oevers van de Azov-zee, om er te gaan studeren aan het Hoger Technisch Instituut voor Scheepsbouw.

“ Datzelfde jaar moest ik mijn dienstplicht vervullen en stuurden ze mij naar Brest aan de Poolse grens. Te Kosov-Polesski werd ik opgeleid tot reserveofficier. De artillerieafdeling waartoe ik behoorde, bestond haast uitsluitend uit studenten en ingenieurs.

Bij het uitbreken van de oorlog werden we zonder militaire training ingezet. Wij moesten achteruitwijken tot Minsk. Omdat de Luftwaffe de colonnes op de grote wegen beschoot en bombardeerde, waren we verplicht in kleine groepen over veldwegen en door de bossen verder te trekken. In augustus 1941 werd ik in Wit-Rusland, 20 km van Bobroejsk, gevangengenomen. Nadat we eerst in een vesting hadden gezeten, brachten ze ons naar een transitkamp in de buurt van Minsk. Vandaar stuurden ze ons naar een kamp in Polen. Veel krijgsgevangenen ontsnapten uit het kamp. Er zijn ook massa’s gevangenen omgekomen van honger en uitputting. Alle dagen werden doden afgevoerd.

Kamp 304-IV-H - In de herfst van 1941 werden we per trein van Polen naar Saksen in Duitsland getransporteerd. Wij kwamen er als eersten aan. Kamp 304-IV-H (1) was een kamp in aanbouw. Er stonden stenen barakken, maar omdat ze krijgsgevangenen bleven aanvoeren, moesten er houten barakken bijgebouwd en ingericht worden. Tegen de winter moest het werk klaar zijn. Ik werd ingezet als schrijnwerker en maakte houten deuren, ramen en stapelbedden. Bij de eerste kou brak een tyfusepidemie uit. Tijdens de winter van 1941-42 vielen er tienduizenden doden. Wij moesten ze begraven. De Duitsers besloten de gezonden van de zieken te scheiden. God zij dank was ik na al die ellende nog bij de levenden.

In het voorjaar verhuisde ik naar de stenen barakken van het Vorlager. Na een ontsmettingskuur gaven ze ons andere kleren en kregen we ook beter eten. In de zomer van 1942 kwam een geneeskundige commissie op bezoek om gevangenen aan te werven voor mijnarbeid in België. Wie 20- 25 meter kon lopen, werd geschikt bevonden voor dat werk. Zo ben ik in september 1942 naar Beringen gekomen.”

In Beringen: het fietswiel - Jef Huybrechts werkte bij een loodgieter in Beringen. Hij was negentien toen de verordening verscheen dat jonge mannen opgeroepen konden worden om in Duitsland te gaan werken. Fons Deferme, de uitbater van de mijnhoeve ‘De Posthoren’, raadde hem aan werk te zoeken op de mijn. Jef kon op het houtterrein aan de slag, meer bepaald voor het opmeten van hout.

“Dat was in de tijd dat de Russen zijn gekomen. Bij ons in ‘t houtpark werkten er niet veel. Alleen zieken en Russen die tijdelijk afgekeurd waren voor het werk in de put. Samen met die mannen kwamen altijd een paar begeleiders mee. Een van hen heb ik goed gekend. Hij heette Peter. Dat was mijn beste kameraad. Hij was geleerd, hij kende verschillende talen. Hij sprak ook Vlaams, wel een beetje gebroken. Het was ne chique type. En beleefd dat die was! Niet te geloven. Ik legde mijn hand in zijne nek, maar dat zou hij nooit bij mij gedaan hebben. Nee, dat deed hij niet. Dat er toen armoede was, is op de foto goed te zien. Ik had een vest aan met kapotte mouwen. En ik liep op klompen. Peter was beter gekleed dan ik.

Hij is dikwijls thuis geweest. Ik woonde langs de Steenweg naar Beringen, ongeveer tegenover ‘De Posthoren’. Van het houtpark gingen we over het pad langs het schlammkot  tot aan de pinnekesdraad. We kropen naar buiten door het wiel van een velo. Ik had de rayons eruit gekapt. Ik trok de draad open en stak het wiel ertussen. Zo kon Peter zonder zijn kleren te scheuren erdoorheen kruipen. Nadien stak ik het wiel weg. We gingen door de wei naar huis, dat was niet ver. Hij at thuis met ons mee. En als we geëten hadden, gingen we langs dezelfde weg terug.” 

Foto: Jef Huybrechts en Pjotr Polosin

De zomer van 1944 - In de zomer van 1944 werden in Beringen de krijgsgevangenen niet meer via de Stationsstraat van het kamp naar de mijn gebracht. Geëscorteerd door Duitse bewakers namen ze de passerelle over de spoorweg om naar het kamp terug te keren. Onderweg ontsnappen was onmogelijk geworden. Maar er waren andere uitwegen en naarmate de geallieerden oprukten, namen steeds meer Russen de vlucht. Oscar De Moerlooze constateerde het iedere dag. “De laatste dagen van augustus zijn er veel Russen gaan lopen. Als die mannen niet terugkwamen van hun werk, zette ik achter hun nummer ‘Gevlucht’. Soms waren het er tien, twaalf. Ik kreeg die lijsten, ik stond in voor de pointage.”

Ontsnapt na de ochtendpost - Uit een brief van Pjotr Polosin aan Vasili Beljoekov: ‘In april of mei 1944 moest ik terug de mijn in. Ik maakte er kennis met Joeri, een jonge Rus. Zijn familienaam herinner ik me niet meer. We besloten om te gaan vluchten. Toen de mannen van onze barak de ochtendpost hadden, kwamen we na het werk als eersten naar boven en spoedden ons naar de badzaal. De kleerkastjes stonden tegen de houten schutting tussen de badafdeling van de Russen en de Belgen. We verplaatsten een paar kastjes, ik stampte een ruit stuk en klom door het raam. Joeri volgde mij. Zo kwamen we bij de Belgen. Vlug liepen we door de badzaal en vluchtten het houtpark in. Daar was ik goed bekend en zo kwamen we weg. Aan het Albertkanaal gingen we uit elkaar.

Ik liep naar het huis van Maria Deferme. Haar zus Edmée kwam naar me toe om me te helpen. Door een paar jongeren ben ik toen naar een klein dorp gebracht. Daar heb ik Louisa Van Hove (2)  ontmoet. Zij kende mij goed. André Pousanovsky is me in het huis waar ik ondergedoken zat, komen opzoeken. De Engelsen hadden intussen het Albertkanaal bereikt en een verzetsstrijder was bereid om ons naar de Engelse linie te brengen. ’s Morgens vroeg, in de dichte mist, liepen we over de sluizen naar de Engelsen. Een patrouille hield ons tegen en bracht ons naar de commandant. André Pousanovsky zei hem waar de kanonnen van de Duitsers stonden en wees de plaats van de mitrailleursnesten aan.”

Lucien Nulens: “Drie of vier dagen voordat de Russen vertrokken zijn, is Peter ontsnapt. Ik heb hem samen met Jean Custers naar de Zeventig Zillen  gebracht. Daar zijn leden van het verzet hem komen ophalen.”

De Odyssee van Pjotr Polosin - In 1991 kwam een Russische reporter naar Holven om over Vasili Beljoekovs belevenissen een reportage te maken. Het relaas werd een drietal keren door Radio Moskou uitgezonden. In de Siberische stad Abakan, 4.000 km van Moskou, hoorde Pjotr Polosin het verhaal. Deze oud-krijgsgevangene was in 1942-1944 barakoverste in Beringen. Er werd een passage uit zijn leven verteld! Een soldaat uit zijn barak, een vriend die hem tijdens de woelige bevrijdingsdagen het leven had gered, was hier aan het woord. Onmiddellijk schreef Pjotr naar Radio Moskou. Hij vroeg het adres van zijn landgenoot die hij in België had gekend. Er ontstond een drukke correspondentie tussen beide oude vrienden. In zijn brieven vertelt Pjotr aan Vasili zijn wedervaren vanaf de dag dat hij uit het kamp van Leopoldsburg vertrok.

Vijftig jaren later - december 1994
Pjotr Polosin op bezoek bij Vasili Beljoekov in Holven

Vasili, ik geloof dat het de dag na je bezoek aan het kamp was, dat de Belgen ergens in de bossen vijf Turkmenen of Tadzjieken aanhielden en met hen langs het krijgsgevangenkamp passeerden. Toen de Engelsen het groepje in de gaten kregen, kwamen zij hen ophalen bij de Russen. Na heel wat heibel namen de Engelsen dan maar iedereen mee. Zo ben ik bij de Engelsen terechtgekomen.

Naar Schotland - ’s Anderendaags voerden die ons naar Dieppe, vanwaar we in de avond met landingsvaartuigen naar Engeland vertrokken. De volgende morgen ging het met de trein naar Glasgow in Schotland. Daar begon mijn nieuwe ‘odyssee’. We werden in bruine Engelse uniformen gestoken met op de rug in een andere stof een soort ruiten aas. De Russische militaire missie bleek op de hoogte van het bestaan van dit kamp en na een tijdje kregen we geregeld het bezoek van Russische officieren. Je begrijpt dat ze probeerden ons om te praten. Ze legden de nadruk op ons patriottisme en dat onze ouders op ons zaten te wachten. Kortom, ze beloofden ons van alles. De Engelse officieren stonden erbij, maar zwegen.

Daarna werden wij, dit wil zeggen Russen, Polen, Joegoslaven en  Tsjechen, afgezonderd van de Duitsers en naar een ander kamp in Schotland overgebracht, waar we soms bij de boeren moesten gaan werken. En dan werden we totaal onverwachts op een trein gezet naar Leeds in Centraal-Engeland. Er werd met ons een bataljon gevormd en ik belandde op de staf. We kregen nieuwe Engelse uniformen, kaki deze keer. Elke week kregen we vijf shilling en we hadden volledige bewegingsvrijheid.

Op 15 februari 1945 vertrokken we vanuit de haven van Liverpool met drie schepen, alles samen zo’n tienduizend Russen. Op het dek kregen we de gebruikelijke reddingsoefeningen voor het geval we zouden zinken of getroffen worden door onderzeeërs. We voeren via Gibraltar en legden aan in La Valetta op het eiland Kreta (3) voor zoet water en vers proviand. Dan volgden de Dardanellen en de Bosporus met een stop van een uur of twee, en eindelijk Odessa.

Weer op Russische bodem - Op 5 maart 1945 stond ik weer op Russische bodem. In Odessa hebben ze ons niet lang vastgehouden. We werden met militaire treinen diep het land ingestuurd. Ik kwam terecht in Basjkirië bij de 40ste infanteriedivisie in het 26ste reserve fuseliersregiment. Alweer op de staf. Het militaire leven hernam zijn gang. Overdag exercitie, maar ’s nachts werden we door de contraspionage opgeroepen voor een ‘gesprek’. Hier ben ik Pavel Gratsjov uit Beringen tegengekomen. Hij was daar gaan lopen, maar werd dan gewond en lag ergens in een ziekenhuis, bij kloosterzusters. Hier zat hij in een ander regiment. Ik heb hier ook nog Michaïl Isakov en Leonid Kovalj, eveneens uit het kamp van Beringen, ontmoet.

Toen de oorlog met de Duitsers achter de rug was, begonnen ze ons hier voor te bereiden op de oorlog met de Japanners. In september 1945 was het echter ook afgelopen in het Oosten. Ze zijn dan begonnen met uit de reserve-eenheden bouwbataljons samen te stellen. Ik belandde met het 22ste bouwbataljon in de petroleumproductie in Basjkirië en deed weer dienst op de staf. We zaten er in uitgegraven kuilwoningen in de nederzetting Oktjaberski met twee bataljons, het onze en het zesde.

Veroordeling en straf - Eind januari 1946 werd ik aangehouden. Ik stond op 23 februari terecht voor het tribunaal in de stad Oefa en kreeg tien jaar strafkamp algemeen regime. In die tijd zaten al de gevangenissen en kampen propvol met gewezen krijgsgevangenen. Wie heb ik daar niet allemaal gezien?! Én generaals, én kolonels, én partizanen… Er was zelfs een gedecoreerde held bij! Beste vriend, je raakte er gewoon niet op uitgekeken.

Mijn eerste kamp was Karlag: de mijnen van Karaganda, 19 bis (gaswinning) en 17 bis. Vandaar stuurden ze mij als bajesklant naar de kopermijnen in Dzjezkazgan. Ik heb maar weinig in de mijn gewerkt, doordat ze me op de productieplanning hadden gezet.

Naar Kolyma - In de lente van 1949 zat ik in een doorgangskamp voor het Verre Oosten en tegen de herfst arriveerde ons konvooi in de haven van Vanino. Voor het transport blijft daar nog alleen de weg naar Kolyma  over. In Vanino ben ik nog Zjora (Georgi) Koesakin uit Beringen tegengekomen. Hij was al thuisgekomen in Toela in 1949, maar daar waren ze hem ’s nachts komen arresteren en ze hadden hem 25 jaar gegeven. In Vanino heb ik nog twee mannen ontmoet, die in Leopoldsburg bij de partizanen waren. Die hadden ook tien jaar gekregen.

In Magadan kregen we onze winterkleding en dan ging het met vrachtwagens naar het noordelijke mijnbouwdirectoraat in de nederzetting Jagodnoje. Hier beschouwde  men tien jaar als een lachertje! We werden meteen in nieuwe konvooien ingedeeld en ik belandde in de tajgà, in de bosexploitatie. Ergens in de zomer begon de chef van het kamp zich in mij te interesseren: wie ik was en vanwaar ik kwam?…
‘Kom jij echt uit Marioepol?’
‘Zeker, ik was er hogeschoolstudent voor de oorlog.’
Enfin, hij nam me mee naar de reparatiewerkplaats. Daar werkte ik eerst als kraanmachinist en daarna als paswerker-monteur 7de klasse (ontwerper). Op het bedrijf waren alle chefs, technici en ploegbazen voormalige gevangenen.

Op 5 maart 1953 stierf Stalin. Men begon de zaken opnieuw te bekijken en in april werd ik vrijgelaten. Maar aangezien het bedrijf vrij kon beschikken over de specialisten, werd ik gedwongen er te blijven werken, maar dan wel in loondienst. Om niet aan de drank te raken en mijn leven weer op te bouwen schreef ik me in voor de avondschool. Wie zijn tien klassen (volledig middelbaar onderwijs) afmaakte, genoot de voorkeur om vrij in het land te mogen rondreizen.

Naar huis - In juni 1954 was ik ermee klaar en ik diende mijn ontslag in. Op het bedrijf wou men mij niet laten gaan en men stelde me voor dispatcher te worden (een belangrijke, verantwoordelijke post). Maar ik voelde er niks voor omdat mijn moeder me net had geschreven dat ik naar huis moest komen en daar in geen geval nog langer mee mocht wachten. Mijn vader was al gestorven in 1948.

In augustus 1954 voer ik op de stoomboot Roejev weg uit Magadan. Op het schip werd ik bestolen: al mijn geld en mijn papieren weg! Zo stond ik dan zonder één kopeke in de haven van Nachodka. Een van mijn medereizigers gaf me honderd roebel. Ik belde het bedrijf in Jagodnoje op, want daar had ik nog geld te goed. Ze maakten me duizend roebel over, zodat ik dan toch kon doorreizen naar Jelets.

        Ik vertrok van huis in augustus 1940 om te gaan studeren
      en kwam terug thuis in de herfst van 1954.
      Dat was mijn terugweg naar het ouderlijk huis.”

(1) Kriegsgefangenen-Mannschaftsstammlager 304 (IV H), Zeithain bei Riesa
(2) Louisa Van Hove uit Kwaadmechelen was bediende op de mijn in Beringen
(3) Op het eiland Malta

Vernoemde namen

Bij Beljoekov Vasili

Beljoekov Vera
Ciselet Georgette
Custers Jean (de garde)
Deferme Edmée
Diels Louisa 1, 2, 3
Diels Victor
Djadkin Ivan
Isakov Michaël
Janssen Paul
Kriloff Pierre
Mondelaers Louis
Nazarov Aleksandr
Nelissen
Nulens Lucien
Pelsers Jeanne 1,
2
Pelsers Phil
Pelsers Roos
Polosin Peter 1
, 2
Polosin Pjotr
Pousanovsky 1, 2 Scherbatow Hélène
Sjoeksjin
Soeskin Gennadi 1, 2
Vandamme
   

Bij Gratsjov Pavel

Adamovski
Beljoekov Vasili 1, 2, 3
Custers Jean
Delarbre Nicole 1, 2, 3, 4, 5
Delarbre Henri
Delarbre (mama)
Izakovitsj Michaël 1, 2
Motorjuk Viktor
Ossimon Jakov
Polosin Pjotr 1, 2, 3

 bij Geeraerts Albert

Bert van 't Boerke
Bernard (Ir)
Billy Nestor 1, 2, 3
Ceulemans Louis 1, 2
Coenen
Cosemans
Crème Franske
Eerdekens Jaak
Emmens Virginie 1, 2, 3
Feron Camille 1, 2, 3, 4, 5, 6, 7, 8, 9, 10, 11, 12
Geeraerts François
Geerdens Albert
Jermakov Nikolaj
Koerilov Jefim 1, 2, 3, 4
Kozjedoeb Gennadi 1, 2
Lecocq Maurice 1, 2, 3, 4, 5, 6
Lecocq Nelly 1, 2, 3, 4
Legros
Lehouck Paul 1, 2
Norman Gerald 1, 2
Pousanovsky 1, 2
Sokolov Konstantin
Tovarisjtsj
Van Nooten Gaétan 1, 2
Zjoekov Boris

Bij Lecocq Nelly

Bernadotte
Lagrange

Bij Polosin Pjotr

Beljoekov 1, 2, 3
Custers Jean
Deferme Fons
Deferme Edmée
Deferme Maria
De Moerlooze Oscar
Gratsjov Pavel
Huybrechts Jef
Isakov Michaïl
Koesakin Zjora (Georgi)
Kovalj Leonid
Nulens Lucien
Pousanovsky André
Van Hove Louisa
  

  

 Kampen

bij Geeraerts Albert

Hasselt
Sint-Gillis
Keulen
Gross-Strelitz
Gross-Rosen
Bautzen

bij Lecocq Nelly

Hasselt
Sint-Gillis
Keulen
Gross-Strelitz
Ravensbrück
Mauthausen
Amstetten

     

Achterflap

Jean Put
°Beverlo, 07.04.1924

Gewezen onderwijzer en schoolhoofd in Beringen
Werkte als bibliothecaris in Beverlo en Tervant-Paal